Advaita en Wetenschap (7.1) Evolutie

01-06-2013 19:43

Advaita en Wetenschap (7.1) Evolutie

 

Bij tal van dieren is vastgesteld dat deze in staat zijn eenvoudige hulpmiddelen als werktuig te gebruiken o.a. apen, kraai-achtigen, olifanten, dolfijnen en recent een kaketoe.

Ook slaagden papegaaien erin een directe beloning te laten liggen in afwachting van een latere en grotere beloning.

Van bultruggen hebben wetenschappers vastgesteld deze ook in staat zijn een nieuw gedrag van een soortgenoot te kopiëren.

 

De evolutietheorie van Darwin binnen de groepen van soorten wordt niet alleen algemeen aanvaard, bijvoorbeeld van aap naar mens, maar zelfs dat alle wezens uit één oerbron (protoplasma ) geëvolueerd zijn.

Deze theorie heeft enorme spirituele consequenties. De gangbare oosterse religieuze en filosofische stromingen kennen vrijwel alle het begrip karma: oorzaak en gevolg met het daaraan gekoppelde wedergeboorte; de eindeloze cyclus van geboorte en dood, die alleen door verlichting doorbroken kan worden. Dit begrip karma is uit de oorspronkelijke betekenis voortgekomen, d.w.z. karma als een energetische oorzaak en gevolg zonder enige verdere consequentie van een eindeloze cyclus van geboorte en dood.

 

Indien de mens uit een aap of uit één oerbron geëvolueerd is hoe kan er dan sprake zijn van karma met wedergeboorte als consequentie? Deze consequentie berust namelijk op het uitgangspunt van een individu dat denkt dat het handelt en wel in een onvolmaaktheid. Dit karma is dus gestoeld op de gedachte dat iets (on)volkomen is, een goed of kwaad handelen.

Reeds eerder werd duidelijk gemaakt dat goed of kwaad niet objectief bepaalbare begrippen zijn, maar subjectief en tijdsgebonden; de dingen zijn wat ze zijn, zonder enige kwalificatie ( zie Spinoza en Advaita (1) en (4) ).

Oorzaak en gevolg is een objectief vast te stellen wetmatigheid, goed en kwaad ( of heilzaam en niet heilzaam ) kennen geen duurzame objectieve wetmatigheid;

In de Ashtavakra Samhita stelt Ashtavakra terecht:

wat is gebondenheid of wat is bevrijding,

wat is karma of wat is wedergeboorte,

wat is bestaan of wat is niet bestaan,

voor mij die eeuwig onveranderlijk en ondeelbaar ben?”

(diverse verzen van hoofdstuk 20)

Het idee hierbij is dat men ongeacht vorm of hoedanigheid eeuwig en altijd Dat, het Zelf is, er is alleen Bewustzijn dat alle vormen aanneemt.

 

Zelfs herinneringen aan vorige levens, al of niet door middel van regressie opgeroepen, waarvan zelfs de details verifieerbaar zijn, vormen geen volkomen bewijs. Berust de herkenning van gebruiksvoorwerpen of namen zoals die in het Tibetaans Boeddhisme wordt toegepast op een herkennen of herinneren van een individu dat één op één volledig een en dezelfde was en nu is? Als niet met zekerheid gezegd kan worden 'wie ik ben', kan dit ook niet gezegd worden ten aanzien van het verleden. Tijdens een regressie neemt men waar als een getuige, eerst bij terugkeer in het hier en nu ontstaat eventueel een emotionele binding met wat in de regressie gezien is en een identificatie met het ik. Het zouden dus beelden van een ander individu kunnen zijn ( in een latere publicatie zal blijken dat de spirituele Yoga o.a. in de Sutra's van Patanjali, inderdaad een gelijkaardige filosofie aanhangen). Esoterische bronnen spreken van een centrale opslag van bewustzijn: akasha; in de

bewoordingen van Jung: het collectief onbewuste.

Als er nu geen individualiteit bestaat ( o.a. Boeddha, Spinoza ) kan er niet eerder een individualiteit hebben bestaan en zal deze er ook niet in de toekomst kunnen bestaan.

 

Als Ramana Maharshi zegt : “ Bewustzijn neemt alle vormen aan “ kan dit betrekking hebben op zowel fysieke, als mentale en amorfe vormen. Betekenisvol is in dit verband vers 1.11 van de Ashtavakra Samhita:

 

Hij die zich als vrij beschouwt is inderdaad vrij, hij die zich gebonden acht blijft gebonden. ' Zoals men denkt, zo wordt men' is een bekend gezegde in deze wereld, en het is beslist waar.”(1)

 

(1) Dit is een erg betekenisvolle uitspraak en bevat een onschatbare les voor voor hen die Zelf-realisatie willen bereiken. In werkelijkheid is het Zelf altijd vrij, Het gaat nooit in een toestand van gebondenheid. Het is uit onwetendheid dat wij onszelf denken gebonden te zijn en deze gedachte doet onze veronderstelde gebondenheid aanhouden en voortduren. Indien wij echter, onszelf weten als het eeuwige vrije Zelf, zullen wij beseffen dat wij altijd vrij zijn.”

[Ultiem is er zelfs geen vrijheid noch gebondenheid; het is een van de paren van tegenstelling. Zie vers 20.14 met annotatie van de Ashtavakra Samhita; en vers 1.17 van de Avadhuta Gita.]

 

(Een nieuwe vertaling en bewerking van de Ashtavakra Samhita is in voorbereiding.)

 

Voor wat betreft de aspecten vrije wil en verantwoordelijkheid wordt verwezen naar de publicaties Spinoza en Advaita (11) en (12).

In het Tibetaans Boek van Leven en Sterven (Servire) zijn in het hoofdstuk Evolutie getuigenissen van BDE's opgenomen die ten aanzien van deze verantwoordelijkheid tot nadenken stemmen.

 

De visie van een niet individuele wedergeboorte wordt niet door alle filosofische stromingen - ook die binnen de Advaita – gedeeld.

Hoe complex en niet echt uitgeklaard het begrip karma ligt blijkt o.a. uit de volgende passage van de Dalai Lama in zijn boek 'Het universum in een enkel atoom' :

....de natuurlijke wet van oorzaak en gevolg (lees: het oorspronkelijk begrip van karma als energie) raakt op een op een bepaald punt verstrengeld met karma van de wezens ( lees : het persoonlijk karma). Moeilijker is het misschien gesteld met het eerste optreden van karma van de wezens....ligt volgens de traditie alleen in de alwetende geest van de Boeddha ( lees : het Zelf, Dat)”.

Er is dus geen sluitende theorie of wetmatigheid aangaande het bestaan van een persoonlijk karma.

 

Advaita en Wetenschap (7.1) evolutie.pdf (68,6 kB)