Advaita en Wetenschap (7.4) evolutie - conatus - karma

28-06-2013 07:42

Advaita en Wetenschap (7.4) evolutie

Evolutie – Conatus – Karma

 

 

In de publicatie Advaita en Wetenschap (7.1) evolutie werd een persoonlijk karma in vraag gesteld.

Door de wetenschap wordt de evolutie in de tijd in het algemeen als volgt gezien:

<4.500 miljard jaar : vorming van de aarde

<3.500 miljard jaar : ontstaan eenvoudige organische structuren (bacteriën)

<2.500 miljard jaar : eenvoudig cel leven ontstaat in de zeeën (algen)

>1.000 miljard jaar : meer samengesteld leven ontstaat in de zeeën

> 600 miljoen jaar: ontwikkeling van gewervelde dieren

> 500 miljoen jaar: ontstaan van primitieve vissen

> 400 miljoen jaar: ontstaan landplanten (alg-achtigen)

> 350 miljoen jaar: zeeleven vestigt zich op het land (insecten en oer-

-amfibiën)

> 300 miljoen jaar: reptielen en begin ontstaan dinosauriërs

> 250 miljoen jaar: inslag meteoriet vernietigt helft dierlijk leven

> 200 miljoen jaar: Pangea splitst in Laurasia en Gondwanaland; ontstaan

primitieve zoogdieren

> 150 miljoen jaar: begin uitsterven dinosauriërs, ontwikkeling zoogdieren

en planten

> 100 miljoen jaar: ontstaan primaten

> 65 miljoen jaar: inslag meteoriet, dinosauriërs sterven uit;

Gondwanaland splitst in Eurazië, Afrika en Australië

> 6 miljoen jaar: Toumai, eerste mensachtige

> 3 miljoen jaar: Lucy

> 1,7 miljoen jaar: 1ste homo sapiens

Dit min of meer bekend overzicht van de evolutie is van bijzonder belang voor het hierna volgende.

Uit “niets” ontstaat een bewust zich steeds meer ontwikkelend leven, van eenvoudig organische structuur tot een complex wezen als de moderne mens. Van meet af aan is er een bewustzijn dat streeft naar een ontplooiing. Dit wordt volmaakt door Spinoza gedefinieerd als conatus:

Het streven van ieder ding waarmee het in zijn bestaan tracht te volharden, is niet anders dan de feitelijk essentie van dat ding.”

Dit was 3,5 miljard jaar geleden zo en dat is nu nog zo tussen alle levensvormen waaronder ook de mensen onderling en het individueel menselijk lichaam met diens bacteriën en virussen.

Het is ook overduidelijk dat in deze kracht tot ontplooiing een inherente conflictsituatie aanwezig is : actie is reactie; deze energie is ook de oorspronkelijke betekenis van karma.

Uit deze wordingsgeschiedenis – en het begrip conatus/karma – kan ook ingezien worden dat een begrip als persoonlijk karma zich moeilijk laat plaatsen, zo niet geheel en al onmogelijk is.

 

Het niet bestaan van een individualiteit en persoonlijk karma is door Patanjali ( 2de eeuw voor JC) in zijn Yoga Sutra's 4.9 en 4.10 en door I.K.Taimni in zijn “Yoga Sutra's van Patanjali” nader verklaard en interessant in het licht van de evolutiegedachte (vrij verwoord):

De wil om te leven is kenmerkend voor alle vormen van leven waardoorheen het bewustzijn geëvolueerd is om het menselijk stadium te bereiken. Aantrekking en afstoting van allerlei gradatie en soort zijn zelfs in de eerste stadia van de evolutie aanwezig en alle indrukken uit de doorlopen stadia liggen in latente toestand te sluimeren. Naarmate de evolutie voortschrijdt worden deze indrukken (Samskaras) en daaraan verbonden begeerten (vasanas) steeds gecompliceerder. Deze indrukken en begeerten liggen in een eeuwig bewustzijn (Jivatma – ziel ) opgeslagen. Een hedendaags individu draagt bij en ondergaat de gevolgen van deze indrukken en begeerten, maar heeft geen “eigendom” ervan; er kan en mag geen predicaat mijn ziel aan toegekend worden. Het is dus een onpersoonlijke ziel om zichtbaarheid aan een schepping ( een droom) te geven.”

 

Hoewel tot zekere hoogte de individualiteit hier ontkend is, blijft deze op een hoger niveau bestaan. Dat indrukken en begeerten in een of andere vorm van bewustzijn behouden blijven – Jungs begrip collectief bewustzijn – komt als zeer waarschijnlijk over; maar dat een ervaring van een plantachtige mentale handicap bijdraagt aan de ontplooiing van een individuele ziel op een hoger niveau, blijft moeilijk te begrijpen. Kan zo iets niet gewoon gezien worden als een ontoereikendheid in de ontplooiing van de evolutie (zonder hierbij afbreuk te doen aan de pijnlijkheid voor alle betrokkenen)? Ook bij de lagere levensvormen komen ontoereikendheden voor, ook onze huidige vorm is fysiek en psychisch imperfect en niet steeds in staat “in zijn bestaan te volharden.” Berust de idee van ontplooiing tot het perfecte wellicht niet op de gedachte dat iets niet volmaakt, volkomen is? Hoe zou iets dat een modus van God is, niets anders dan het Zelf is, onvolmaakt, onvolkomen kunnen zijn? Waren dan alle oerbacteriën van meet af aan (on)volmaakt?

 

In termen van Ashtavakra en de Advaita : Wat is volmaakt, wat is onvolmaakt?

In termen van de Boeddha : Volmaakt en onvolmaakt zijn louter begrippen, in werkelijkheid bestaat er niet zo iets als volmaakt en onvolmaakt; “neti – neti” ( niet dit – niet dit/dat ).

 

Of in analogie met vers 3.2 van de Avadhuta Gita :

Oh dierbare vriend, hoe moet ik buigen naar het Zelf in mij Zelf, de volmaakt onvolmaakte?”


Advaita en Wetenschap (7.4) evolutie.pdf (52,5 kB)