Advaita en Wetenschap (7.5) involutie

05-07-2013 11:00

Advaita en Wetenschap (7.5) involutie

 

 

Uit het overzicht van de evolutie – zie Advaita en Wetenschap (7.4) kon de gevolgtrekking gemaakt worden dat de evolutie zich nog verder kan voortzetten. Maar eveneens blijkt hoe kwetsbaar het geëvolueerde leven is als gevolg van enorme niet beheersbare krachten, zoals inslagen van meteorieten en uiteen drijvende of botsende continenten, enzovoorts.

In dit verband zijn enkele verzen uit de Bhagavad Gita van bijzondere betekenis.

Alle schepselen gaan in tot Mijn natuur op het einde van een wereldperiode, aan het begin van een wereldperiode breng Ik hen weer tot de openbaring.” (vers 9.7)

Verborgen in Mijn natuur, emaneer Ik zonder ophouden door de kracht van Mijn natuur deze ganse menigte van schepselen, die hulpeloos zijn en zich niet kunnen verzetten.” (vers 9.8)

Uit beide verzen spreekt duidelijk de verborgen energie, de conatus/het karma dat : “Wonderbaarlijke Ik , niets of niemand zo vaardig, die in eeuwigheid het ganse universum draag zonder het met mijn lichaam te beroeren.” (Ashtavakra Samhita vers 2.13).

Deze energie – deze essentie van elk zijn – is een onophoudelijk bewegen en tegelijkertijd een alles doordringend zijn; een beweging en een rust (“ het teken van de Vader in u”). Het bewegen kenmerkt zich door een worden en een verworden, een evolutie en involutie in hetzelfde moment. En geen moment is in dit bewegen iets niet de Onnoembare Bron ervan (Het vermeerdert niet noch vermindert Het).

Het is door dit in te zien dat wij op een haast spontane wijze kunnen komen tot een spirituele, religieuze houding vrij van enige binding met een religie.

In het Thomas-evangelie wordt dit door Jezus als volgt verwoord:

Indien gij hem ontmoet die niet uit een vrouw geboren is, werp u dan op uw aangezicht ter aarde en vereer hem – Hij is uw Vader” (logion 15).

Dit ontmoeten is een proces van inzien, in steeds diepere lagen bewust worden en ervaren wat de Werkelijkheid is.

 

Een beseffen en ervaren dat uw lichaam en mijn lichaam Zijn penselen zijn, dat uw geest en mijn geest Zijn verf is, waarmee Hij Zijn droom schildert. Soms in rauwe penseelstreken met brute, contrasterende kleuren, soms in zachte, tere streken en lieflijke harmonieuze tinten. Een droom die ons dromen doet. Een droom die ons samen met Swami Ram Tirth – een uur voor en zich bewust zijnde van zijn verdrinkingsdood – met tranen van vreugde in onze ogen doet zingen :

 

Ik zal verder gaan. Ik ben de lichtvoetige wind die verder loopt in extase. Ik ben de altijd verglijdende vorm die verdergaat als de tijd.. Ik heb miljoenen lichamen waarin ik kan leven. Ik ga, ik ga met niets in mijn bezit.”

 

Advaita en Wetenschap (7.5) involutie.pdf (36 kB)