HET ONBESTAAND IK (7)

27-07-2015 07:15

 

 

 

 

HET ONBESTAAND IK (7)

 

 

 

Dit handelen zonder handelen, een handelen zonder een ik-gericht oogmerk heeft zo mogelijk een uiterste consequentie :

 

.....zijn geest verstoken van onderscheid, is hij zuiver noch onzuiver....en zelfs wat gebruikelijk is verboden, is voor hem toelaatbaar.” (1)

 

In de relatieve, wereldse werkelijkheid worden wij voortdurend geconfronteerd met het dilemma of wij juist of niet juist gehandeld hebben. Steevast het bewijs dat het handelen geschiedde vanuit een (on)bewust ik-gericht oogmerk, zelfs bij het werk van liefdadigheid of ogenschijnlijke onbaatzuchtigheid.

De (aspirant) avadhuta – maar ook bij gelegenheid de gewone mens – die echter geheel en al handelt in de geest van woe wei en het hierboven aangehaalde vers kan door als zodanig te handelen in conflict geraken de codes van zijn/haar sociale omgeving.

Is er in een dergelijke situatie sprake van een onverantwoordelijk handelen? Het is een vraag die geen enkele buitenstaander vermag beantwoorden.

Wie kan ten volle de oprechtheid van het mededogen inschatten van de verpleegkundige die uit deze gedrevenheid enige tientallen ondraaglijk lijdende zieken heeft gedood?

Wie kan zich een oordeel vormen over de integriteit van Suzanne haar gevoelens in haar getuigenis over liefde ?(2)

 

Suzanne (als clown) :

 

Te midden van iedereen hielden wij elkaar vast, woordeloos, hoofd tegen hoofd, in een enorme intimiteit en tijdloos, één stroom van energie....

Weer, keer op keer bedanken wij elkaar. Waar was de dementie?

Opnieuw zeg ik : het zijn momenten waar ik niet naar terug mag verlangen; zij worden geschonken als ik daar niet ben.”

 

Zelfs als op het ogenblik zelf het handelen zonder enig ego gerichtheid heeft plaats gevonden, kan – door het niet continue karakter van de “woe wei” staat – toch nadien ook bij de doener de nodige twijfel groeien omtrent de juistheid van het handelen; een twijfel die heviger is of wordt naarmate de sociale omgeving luider van zich laat horen.

Het besef van zelf de doener te zijn is van jongs af aan zo eigen en in het onbewuste verankerd dat alleen door een aanhoudende aandacht en beoefening het doen en laten van woe wei kan eigen gemaakt worden en de achteraf twijfel terug gedrongen wordt.

 

 

 

    1. Kwintessens (5.04) en (18.04) : vers 2.39 Avadhuta Gita

    2. Synthese (5.20) en (5.21)

HET ONBESTAAND IK (7).pdf (53,4 kB)