KWINTESSENS (1.02) - Geest noch denken

28-03-2014 17:54

 

 

 

KWINTESSENS (1.02) – Geest noch denken

 

 

Door de onbestaanbaarheid van een geest bestaat er geen denken; door de onbestaanbaarheid van een lichaam bestaat er geen veroudering noch verval.”

(vers 1.13)

 

Kan bij het idee van geen lichaam er nog iets voorgesteld worden door de “leegte” van de cellen en de desbetreffende bevindingen van de kwantumfysica, dan ligt dit gevoelsmatig duidelijk lastiger ten aanzien van de geest.

Van jongs af aan heeft de relatie tussen het denken en het doen en laten zich ontwikkeld en het ik, het zelfbeeld, opgebouwd tot een zodanige verwevenheid dat het vrijwel ondoenlijk is zich voor te stellen dat het denken ook tot de “leegte” zou behoren.

 

In eerdere publicaties – onder andere in Spinoza en Advaita (8.4) - is er al gewezen op de relativiteit van het denken en in bijdragen van Suzanne (zie ook De Clown (5) buitenspel) op het bestaan van bewustzijnstoestanden waarin dit ik volledig opgaat in een staat van zuiver zijn.

Voor een goed begrip is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen denken en bewustzijn; niet voor niets spreken de teksten over “het offer van het denken” en in de Engelstalige versies daarvan wordt “mind” gebruikt, dit in tegenstelling tot het “consciousness”.

Bewustzijn is meer dan geest-denken; baby's, mensen in diepe coma of dementie en zwaar mentaal gehandicapten zijn veelal niet tot denken in staat, maar beschikken wel over bewustzijn.

Geest en denken is in feite bewustzijn dat zich in zekere mate ontplooit heeft uit zichzelf, zij het dat conditionering een overheersende rol speelt.

In antwoord op de vraag van een zoeker waarom de Ribhu Gita zo vaak spreekt over de niet werkelijkheid van de dingen ( en dus ook de geest en denken) en dan zegt dat deze louter het Zelf zijn, dus werkelijkheid, antwoordde Sri Ramana Maharshi dat, als deze gezien worden als een veelvormigheid zijn zij niet werkelijk, als deze gezien worden als Zelf zijn zij werkelijkheid.

In zijn verhandeling over de Pratyabijna Hridayam – een Advaita geschrift uit de 11de eeuw – licht I.K.Taimni bij diverse aforismen toe dat het Bewustzijn neerdalend in de steeds diepere lagen van openbaring ook steeds meer beperkt raakt in zijn energie; alzo wordt het ook tot denkvermogen, dat geen onafhankelijk beginsel is, maar een van het Bewustzijn gedifferentieerd voortbrengsel, welk evenwel niet los gezien kan worden van zijn bron en dezelfde aard bezit.

De gedachtegang van een Bewustzijn dat in steeds diepere lagen van openbaring doordringt, maar onveranderlijk, ondeelbaar, eeuwig, alomvattend en aldoordringend (immanent en transcendent) blijft, vindt nu ook een zekere weerklank bij de kwantumfysica in de uitspraak dat de objecten een tijdelijke verdichting vormen van één energetisch veld.

 

De onbestaanbaarheid van de geest en de onbestaanbaarheid van het denken in de hierboven aangehaalde verzen zijn dus juist indien deze beschouwd worden als geen autonoom beginsel van het individu en gezien worden als “relatieve werkelijkheid”.

Heel bijzonder wordt dan de uitspraak van Jezus : “hij die zoekt, ziet; hoort, spreekt, is ook hij die openbaart” (zie Advaita en Wetenschap 7.3).

 

KWINTESSENS (1.02) - Geest noch denken.pdf (52,2 kB)