KWINTESSENS (1.03) - Dood noch ontwikkeling

31-03-2014 19:12

 

 

 

KWINTESSENS (1.03) – Dood noch ontwikkeling

 

 

Door de onbestaanbaarheid van een geest bestaat er geen denken; door de onbestaanbaarheid van een lichaam bestaat er geen veroudering noch verval.

Door de onbestaanbaarheid van veroudering en verval bestaat er geen dood. Door de onbestaanbaarheid van verval bestaat er geen ontwikkeling [evolutie].

(verzen 1.13 , 1.16 en 1.18)

 

Ook de Ashtavakra Samhita stelt in vers 20.7 dat er schepping noch ondergang is. Steeds weer is er de tegenstelling tussen de relatieve werkelijkheid van de zintuigen en achterliggende Werkelijkheid van het Bewustzijn dat onveranderlijk en ondeelbaar is.

 

Eerder dan voort te gaan op wat er niet is, kan wellicht een benadering vanuit wat wel is, hier iets meer klaarheid scheppen. Voortgaande op o.a. de bevindingen van de kwantumfysica (zie Kwintessens (1.01) – Niet-Zelf) dringt zich de conclusie hoe langer hoe meer op dat het inderdaad louter en alleen Bewustzijn en het karma als energie zijn die de wereld, het lichaam en de geest vorm geven. Terecht dat Spinoza dus stelt dat alles een uitdrukkingsvorm , een modus is van die ene onveroorzaakte oorzaak. De ene modus aanvaarden en de andere verwerpen betekent het eerste beschouwen als wel daartoe behorend en het andere niet. Daarenboven is het object dat door het ene subject aanvaard wordt voor een ander subject onaanvaardbaar en vice versa. Het zal duidelijk zijn dat dit tegen alle logica indruist.

 

Wellicht wordt hiermede de in eerste aanleg ietwat bevreemd aandoende tekst (selectie) uit “Donder. Het volmaakt Bewustzijn” (Nag Hammadi geschriften) helder (zie ook SYNTHESE 4.19) :

Ik ben de vereerde en de verachte.

Ik ben de hoer en de heilige.

Ik ben het die overal gehaat werd,

en die overal werd geliefd.

Want ik ben kennis en onwetendheid.

Wees niet onwetend van mij,

nergens en nimmer.”

In de regel wordt hierbij steeds ik als Ik weergegeven als indicatie dat het hier het Zelf betreft; maar is dit juist? Immers ik = Ik (“ ik ben Dat”).

In dat geval wordt de vereerde mijzelf en de verachte eveneens mijzelf! De vereerde en de verachte zijn niet van mij gescheiden subjecten, maar zijn een met mij geïntegreerd geheel;

En terecht merkt Suzanne dan op : “ik voel mij geen clown en voel mij intens met hen [demente en mentaal gehandicapte] verbonden; zij zijn in mij en ik in hen.”

 

Meermaals werd gezegd : “ Als je weet wie je bent houd je langzaam op te zijn wie je niet bent” ( o.a. in Syllabus 'Ken je zelf ' ; Spinoza en Advaita (3) en Synthese 3.12

... - relaties). Deze beweging is voltooid als het onderscheid duurzaam niet meer gevoeld wordt, er zelfs geen besef is van het tot stilstand komen van het onderscheid; een volmaakt natuurlijke uitdoving.

 

Ashtavakra Samhita vers : 2.2 Zoals ik alleen dit lichaam openbaar, gelijk zo openbaar ik dit universum. Daarom, dit gans universum is het mijne of waarlijk niets is het mijne.

 

Het is geheel en al onbelangrijk of 'ik' en 'mijn' met of zonder hoofdletter worden geschreven, of het Ashtavakra is die spreekt of zijn Godheid. Duidelijk blijkt deze eenheid ook in de bewoording van Jezus in de slotzin van Kwintessens (1.02) : “hij die zoekt, ziet; hoort, spreekt, is ook hij die openbaart” .

 

Als wat dan ook benoemd kan worden en in de diepste essentie alleen Bewustzijn is – onveranderlijk en ondeelbaar, aldoordringend en alomvattend, kan er geen dood, verval of evolutie bestaan; welk aspect zich ook aandient voor de zintuigen, het blijft dezelfde essentie.


KWINTESSENS (1.03) - Dood noch ontwikkeling.pdf (66,8 kB)