KWINTESSENS (11.03) - Evolutie

08-09-2014 19:47

 

 

 

KWINTESSENS (11.03) – Evolutie

 

 

Heel deze wereld in evolutie is onwerkelijk.”

 

 

Verwekt, geboren worden, opgroeien, verouderen en sterven; ook dit kan gezien worden als evolutie naast de evolutie van het leven op aarde. Maar zijn beide reële

evoluties? In enge zin van het woord en als wij uitsluitend zien naar de ontwikkeling van het leven – in het bijzonder de mens – dan kan er van evolutie gesproken worden.

Maar in zeer ruime zin van het woord is er geen evolutie, omdat iets dat zich ontwikkelt altijd gepaard gaat met het (op)offeren van iets anders. In de kwantumfysica is het niet anders : deeltjes die elkaar scheppen én vernietigen. Creatie en vernietiging, worden en verworden zijn één; op microkosmisch maar ook op macrokosmisch vlak.

Het zal duidelijk zijn dat dit proces zich over miljarden jaren kan uitstrekken, maar een eindigheid hiervan is niet ondenkbeeldig.

Dit illustreert zich nu duidelijk met de ecologische voetafdruk die groter is dan waarin de aarde kan voorzien en de bijbehorende vervuiling. De Taittiriya Upanishad verwoordt dit als volgt :

 

Uit voedsel, waarlijk komen alle schepselen voort – wat ook op aarde ronddoolt.

Van voedsel alleen verder, leven zij, en tot voedsel ten slotte keren zij terug.” (2.2.1)

Dit wat het fysieke aspect betreft.

 

De werkelijkheid van de verschijnselen is het Zelf of Bewustzijn; dit blijft ongeacht de vorm onveranderlijk en kent bijgevolg geen evolutie. In deze zin moet vers 60.7 van Essentie van Ribhu Gita (op basis van de vrije Tamil versie) begrepen worden.

 

Nooit is er iets ontstaan. Waar kan datgene dat nooit ontstaan is zich bevinden? Hoe kan er evolutie zijn van ongeboren en niet- bestaande dingen? “

 

Uit Advaita en Wetenschap (7.5) – Involutie werd het volgend tekstgedeelte ontleend :

 

Alle schepselen gaan in tot Mijn natuur op het einde van een wereldperiode, aan het begin van een wereldperiode breng Ik hen weer tot de openbaring.” (vers 9.7)

Verborgen in Mijn natuur, emaneer Ik zonder ophouden door de kracht van Mijn natuur deze ganse menigte van schepselen, die hulpeloos zijn en zich niet kunnen verzetten.” (vers 9.8)

Uit beide verzen spreekt duidelijk de verborgen energie, de conatus/het karma. “

Deze energie – deze essentie van elk zijn – is een onophoudelijk bewegen en tegelijkertijd een alles doordringend zijn; een beweging en een rust. Het bewegen kenmerkt zich door een worden en een verworden, een evolutie en involutie in hetzelfde moment.


KWINTESSENS (11.03) - Evolutie.pdf (50,9 kB)