KWINTESSENS (13.01) - Werkelijkheid

16-10-2014 08:00

 

 

 

KWINTESSENS (13.01) – Werkelijkheid

 

 

Wat dan ook als het kleinste in deze wereld waargenomen wordt, wat dan ook als geringste in deze wereld uitgesproken wordt, wat dan ook als het minste in deze wereld ervaren wordt – wanneer ook – dat alles is echter onwerkelijk.”

(vers 13.2)

 

Het benoemen van een verschijnsel – het ik inbegrepen – geeft nimmer en nooit weer wat de echte betekenis, de echte essentie van dat verschijnsel is. In feite staat men machteloos, zelfs om aan te geven ' wie ben ik ' of eenvoudigweg de kleur rood te duiden.

In wezen is elk verschijnsel een mysterie. De zoektocht naar de essentie van het “ik” brengt ons niet alleen tot inzicht omtrent de universele wijze waarop het brein functioneert – de facto een gebonden functioneren gebaseerd op conditionering – maar ook tot het besef van de essentie van dat “ik”, namelijk een totaliteit van Bewustzijn en het mysterie zelve.

Voorbij het via de zintuigen ervaren van dit verschijnsel “ik” is die werkelijkheid daarvan te vinden – uitsluitend te ervaren – als de denkende geest verstild is. Deze verstilling betreft niet uitsluitend een geest in diepe meditatie tot gedachteloosheid verzonken.

Het is een staat van zijn – een eenvoud van zijn – waarin de concentratie, de betrokkenheid tot het object of gebeuren in een totale aanwezigheid plaats heeft. Zelfs een eenvoudige gedachte als 'ik moet dit of dat...' leidt die aandacht, betrokkenheid weg van het object of gebeuren.

 

Deze staat van zijn – hoe kortstondig ook – werd helder weergegeven door Arnold in zijn bijdrage “ Ruimte” (Synthese 3.05) :

Maar in de immens open ruimte van onze relatie kan alles benaderd worden, er is een wederzijds geven met alle inzet inzet en vermogen; wij zijn aanwezig met heel ons hart en alles vloeit, alles stroomt.”

en Suzannes “Marieke” (Synthese 5.04) :

Het zijn momenten waarnaar ik terug verlang en tegelijkertijd weet dat ik deze niet vermag te verlangen, zij worden geschonken op de momenten dat ik er niet ben.”

 

Maar ook bij een zeer eenvoudige activiteit als het met de hand wieden van onkruid in de kruidentuin kan deze staat van zijn ervaren worden. Op zulke momenten is men en toch is men niet; men is één geworden worden met het onkruid, met Marieke of met Liesbeth.

In Kwintessens (12.03) werd dit door (de bewerkte versie van) Luk Heyligens gedicht 'Als ik ben en niets meer wil' nog verder benaderd.


KWINTESSENS (13.01) - Werkelijkheid.pdf (52,8 kB)