KWINTESSENS (16.02) - Geest

27-11-2014 11:33

 

 

 

KWINTESSENS 16.02 – Geest

 

 

Geest, waarlijk, is van aard Bewustzijn. Geest maakt de geest tot dat wat het is. Bewustzijn alleen is van het wezen van de Suprême.”

(vers 16.18)

 

 

In meerdere publicaties werd reeds eerder op het aspect geest ingegaan.

In het hierboven aangehaalde vers wordt duidelijk aangegeven dat de geest geen zelfstandige bestaansreden heeft, maar net als alle verschijnselen louter Bewustzijn of het Zelf is.

 

Zoals een ik en een ander of het andere onderscheiden kan worden en toch een en dezelfde – het Zelf – zijn, zo kan ook de gewone geest onderscheiden worden en ook weer niet onderscheiden omdat Bewustzijn één en ondeelbaar is.

Heel de oefening in het dagelijks leven bestaat erin om te onderscheiden en toch weer niet te onderscheiden. De verschillen tussen ik en de ander en het andere te zien en toch vanuit een inzien deze niet te zien ; aanvaarden noch verwerpen.

Aanvaarden van een onderscheiden object betekent dat op gronden van aangeleerde conditioneringen het object in meer of meerdere mate gegeerd is, evenals een ander op een zelfde basis verworpen wordt.
 

De gewone geest is wat deze is , niets anders dan zuiver Bewustzijn en is als zodanig noch te aanvaarden of af te wijzen. De geest bestaat zoals het lichaam bestaat : een modus, een uitdrukkingswijze van het Bewustzijn.

Behoudens deze filosofische zienswijze kan ook vanuit het wetenschappelijke gezien worden dat het bewustzijn aspecten kent die te onderscheiden zijn en ook weer niet te onderscheiden, omdat zij deel uitmaken van een en hetzelfde : bewustzijn. Deze aspecten worden bij de huidige stand van wetenschap normaliter aangeduid met : bewustzijn, onderbewustzijn en intuïtie. Een scheidslijn is echter arbitrair, de aspecten vervloeien naadloos ineen en dooreen.

Wel is hoe langer hoe meer duidelijk dat bewustzijn en onderbewustzijn in hoge mate – zo niet geheel en al – door de ervaringen (met een grote impact van tijd en plaats) en conditionering geleid en beheerst worden.

Het is evident dat juist deze conditioneringen – niemand heeft zijn eigen plaats en tijdstip van wording bepaald – ook van wezenlijk grote invloed zijn op het proces van evolutie, dat in het bijzonder gekenmerkt is door het overleven/ontwikkelen door een voortdurende aanpassing aan veranderende omstandigheden. Hiervan uit gezien is het niet juist te spreken van een hoger of lager bewustzijn, maar alleen van bewustzijn, van oerbacterie tot mens en.....

Elk leven beantwoordt optimaal aan de door de omstandigheden vereiste intelligentie (zie onder andere Advaita en Wetenschap 5 – termieten) en vormt als zodanig een volmaakte uitdrukkingswijze, de modus van het Bewustzijn.

 

Voortdurend wisselen de relatieve zienswijze en de absolute elkaar af, geheel in stijl met een vers als in de Avadhuta Gita (1.9) en de bijbehorende annotatie :

....De geest is alles. Maar in werkelijkheid is er geen geest.”

En : “....alle namen, vormen en alle mentale begrippen zijn alleen vormen van denken...” (Essentie Ribhu Gita vers 41 en 42).

Een zienswijze die ook in een van de bijzonderste en belangrijkste sutra's uit het Boeddhisme – De Diamant Sutra – door de Boeddha vele keren herhaald werd, als dit aspect extra te willen benadrukken.

De werkelijkheid is “leeg”, een zuivere energie, bewustzijn, zonder eigenschappen, maar alles doordringend en vormend. Een niet te doorgronden Mysterie :

 

Wonderbaarlijk ben ik! Verering voor mijzelf die, hoewel met een lichaam, Eén ben, die niet gaat noch komt maar blijft, het universum doordringend.”

(Ashtavakra Samhita 2.12)

 

Een niet te doorgronden Mysterie van ik of jij :

 

....dit immens gevoel van mij geborgen weten, weten uit welke geborgenheid ik kom en naar welke geborgenheid ik terugkeer, waar ik eigenlijk nooit van gescheiden ben....”

(Suzanne)

 

KWINTESSENS (16.02) - Geest.pdf (57,5 kB)