KWINTESSENS (17.04) - Het onbestaand ik

22-12-2014 20:00

 

 

 

KWINTESSENS 17.04 – Het onbestaand ik

 

 

Ik ben het Licht van het Zelf. Ik, als ikzelf, kom nimmer tot bestaan.”

(vers 17.26)

 

 

Wat brengt mij tot bestaan? Wat doet mij leven?

 

Wanneer gij Hem ontmoet die niet uit een vrouw geboren is, werp je dan op je aangezicht ter aarde en vereer Hem. Hij is jullie Vader.” ( logion 15 Thomas-evangelie).

 

Niet alleen vader, maar ook moeder!

 

Afgezien van het woordgebruik 'Vader' staat er in dit logion, ook wetenschappelijk gezien (bij de huidige stand van kennis), het enig juist antwoord op de hierboven gestelde twee vragen.

 

Wanneer de zoeker naar zichzelf én het Zelf tot eenzelfde antwoord gekomen is, blijft slechts de vaststelling over dat elk leven niet door zichzelf tot bestaan gekomen is én zichzelf niet in stand houdt. Ook een voorlopig antwoord als 'verwekt uit de synthese van een eicel en een zaadcel' is geen afdoend antwoord, omdat voor elk van deze componenten weer opnieuw de twee vragen gesteld moet worden.

Het aldus gevormde leven krijgt eerst in een latere fase het etiket 'ik' of 'gij'' of 'dit' en 'dat'.

In een nog weer latere fase groeit er een totale vereenzelviging van dit leven met dit 'ik'.

Deze benoeming is nodig, maar artificieel en geeft de werkelijkheid van het object niet weer. Kan er gesproken worden van 'het' is geboren? Opnieuw rijzen dan de twee vragen : wat brengt 'het' tot leven, wat doet 'het' leven?

Nimmer is 'ik' of 'het' geboren en dus zal 'ik' of 'het' ook nimmer sterven.

In analogie met vers 20.14 van de Ashtavakra Samhita en het “neti neti” van de Boeddha is het juister te spreken van : “ik of het is geboren noch niet-geboren en zal sterven noch niet-sterven”. Het “ik” of “het” als zijnde niet iemand of iets noch niemand of niets.

 

De verwoording 'Ik, als ikzelf, kom nimmer tot bestaan' is een pareltje!

Bij de uitspraak 'nimmer geboren en nimmer gestorven' lijkt er gevoelsmatig nog een gedachte van een ik in leven te zijn. Bij de term 'kom nimmer tot bestaan' geeft het meer de indruk dat het onbestaande van een ik tot een absoluutheid verheven te zijn. Zelfs niet nul, want nul heeft nog een duiding. Niets. Niets, behoudens dat Ene.

 

 

 

Ik ben jou; jij bent mij; jij en ik bestaan niet – bestaan niet, inderdaad.”

(vers 17.53)

 

Is het 'ik' onbestaande, dan volgt daar logischerwijze uit dat er geen vader noch moeder bestaan, noch enig ander bestaan – vers 17.53 onderlijnt dit – niemand en niets, behoudens dat Ene.

In dit licht gezien is de uitspraak 'er is geen universum, er is alleen het Zelf ' volkomen juist en verkrijgt het gezegde van de Bosjesman 'er is een Droom die ons dromen doet ' de betekenis die het verdient.

 

KWINTESSENS (17.04) - Het onbestaand ik.pdf (51,5 kB)