KWINTESSENS (22.01) - Verscheidenheid

23-02-2015 12:33

 

 

 

KWINTESSENS (22.01) – Verscheidenheid

 

 

 

Wat er ook aan verscheidenheid bestaat ben Ikzelf. “

(vers 22.2)

.... het verblijf van alles; Ik, waarlijk, ben Bewustzijn zonder een intellect; het beste, middelmatige en slechte zijn Bewustzijn, waarlijk Ik.”

(vers 22.3 t/m 22.6)

 

Deze verzen sluiten onmiddellijk aan bij de aansporingen om het denken en herinneren op te geven uit de hoofdstukken 20 en 21.

Door middel van onze zintuigen ervaren wij een enorme variëteit van verschijnselen en vergeten daarbij dat deze uit een en dezelfde bron bestaan : Bewustzijn.

In De Clown (8) – Onvolmaakt geeft Suzanne een getuigenis van haar ervaring met zwaar mentaal gehandicapten; in Spinoza en Advaita (10) – Volmaaktheid werd op de dualistische zienswijze van (on)volmaaktheid ingegaan.

Resumerend werd daarin gesteld dat de aspecten volmaakt en onvolmaakt afgeleiden zijn van goed en kwaad en als dusdanig eveneens geen objectief criterium hadden; dat zowel het “volmaakte” als het “onvolmaakte” uitdrukkingen zijn van het Zelf (Dat).

 

Onverbloemd vinden wij dit terug in de hierboven geciteerde verzen en met een bijzondere bekrachtiging daarvan door de zinsnede : “ Ik, waarlijk, ben Bewustzijn zonder een intellect”.

Dit dwingt tot inzien dat volmaakt en onvolmaakt relatieve begrippen zijn, maar tevens dat de “volmaakte” zich geen enkel verdienste mag toerekenen noch zich meer volmaakt mag beschouwen dan de “onvolmaakte”.

Het geeft de stelligste indruk dat alles berust op een “trial and error “ van een natuur zonder enig ander doel dan alleen maar Zijn. Het zonder enig verdienste volmaakte Zijn is niet meer noch minder dan het zonder verdienste onvolmaakte Zijn; beide zijn wat zij zijn : een uitdrukking, een modus van het Zelf.

Het dualistische onderscheiden berust op de denkende en oordelende geest, de geest die een ik en gij, een dit en dat onderscheidt, aanvaardt of verwerpt, weigert de illusie van het ik, mij en mijn in te zien en daardoor in gebondenheid verkeert.

Deze onderscheidende geest is een scheidende geest; een geest die in potentiële agressie verkeert door het willen verdedigen en doen toenemen van al wat ik, mij en mijn betreft en dus in angst en onvrijheid is, zelfs ten aanzien van de liefde (zie ook Synthese (5.19 t/m 5.21) – Liefde).

 

KWINTESSENS (22.01) - Verscheidenheid.pdf (52,5 kB)