KWINTESSENS (6.01) - Het ingebedde Ik

04-07-2014 18:44

 

 

 

KWINTESSENS (6.01) – Het ingebedde Ik

 

 

 

Ik, de opperste en oneindige Zaligheid, de Onbevlekte, de enig Bestaande, het Zijn – Bewustzijn – Zaligheid, de Geliefde, het Zelf voorbij denken en spraak, ik ben dagelijks bad en wassing.”

(verzen 6.1 t/m 6.20)

 

Dit in-diep beseffen, wéten en er ten volle naar leven, werken en handelen is als het dagelijks bad; elk ritueel is slechts een (f)lauwe afspiegeling van dit zijn.

Maar evenzeer is het zo dat dit leven niet op een vloek en een zucht gerealiseerd is; heel langzaam houd je op te zijn wie je niet bent als je weet wie je bent.

Een ritueel kan een zekere ondersteuning bieden, tegelijk kan het uitgroeien tot een onechte beleving en een vals, formeel gebeuren, een kloof tussen denken en zijn.

 

De priester, de strijder is niet langer priester, de strijder als hij daarin iets anders ziet dan het Zelf. Al wat bestaat verwerpen hem die daarin iets anders ziet dan het Zelf.” (zie Kwintessens 4.02 en 4.03)

 

Waar het concreet om gaat is in Synthese (4.11) - Gebed aangeduid door de uitspraak van Suzanne : “door hen te eren zonder te eren eer ik de meest essentiële essentie van mijn zijn, mijn wezen.”

Eren zonder eren is een gebed zonder bidden; het ritueel is een zuiver zijn én een zuiverend zijn.

(Deze publicatie handelt onbedoeld over het aspect ritueel en formaliteit.)

 

In vers 6.23 ligt reeds het antwoord op de vraag van Nidagha : “ Eeuwig ben ik volledig” . Niet alleen betreft dit het Zelf, maar ook het uit het Zelf gemanifesteerde, i.c. Nidagha. Het Zelf , de Onbevlekte en al het bestaande behoeft geen rituele wassing, geen doop. De behoefte aan een dergelijk ritueel berust op het ik-gevoel, het denken, op begrippen als rein en onrein die uit de begrippen 'goed en kwaad' afgeleiden zijn.

 

Ook het schietgebed of mantra is verreweg in de meeste gevallen een ritueel en op een ik-gevoel gegrond. Uit de publicaties Synthese (3.03) – Wie ben ik? ; Synthese (4.11)- Gebed en Synthese (4.16) – Kwetsbaar blijkt dit ruimschoots. In de verzen 6.42 t/m 6.62 wordt stelselmatig herhaald de effectiviteit van de mantra 'Ik ben het Zelf' '. Het verdient echter hierbij een kanttekening te plaatsen, namelijk met welke intentie de mantra gezegd wordt.

Is het bidden ervan om zichzelf te overtuigen, zeg maar je te conditioneren in het geloof? Of is het bedoeld om te bevestigen wat je al weet? In het eerste geval is zelfs deze supermantra niet op zijn plaats en in het tweede geval overbodig.

De Ribhu Gita spreekt zich in deze verzen ogenschijnlijk tegen met vers 3.10 : “ Wie ben ik? Ik ben Hem! Dit soort uitspraken zijn een denkbeeld.“

De Avadhuta Gita ontkent in de verzen 1.75 en 2.33 de noodzaak van mantra's, zelfs de onderhavige mantra.

Vers 6.47 lijkt echter een sleutelrol in de tegenspraak te spelen en een bevestiging van vers 3.10 te zijn.

Hoe dan ook, de Ribhu Gita blijft hierin een dubbel aspect te zien geven, ook in latere hoofdstukken, waaronder hoofdstuk 34.

Het blijkt doordat de gewone geest en het ik-gevoel in en door de dagelijkse relatieve werkelijkheid zo dominant zijn, dat deze stugheid alleen door een aanhoudende toepassing en beleven van het verworven inzicht doorbroken en veranderd kan worden.

 

KWINTESSENS (6.01) - Het ingebedde Ik.pdf (68,9 kB)