KWINTESSSENS (11.05) - Ik en de ander

18-09-2014 20:25

 

 

 

KWINTESSENS (11.05) – Ik en de ander

 

 

De misvatting betreffend zichzelf en een ander is onecht.”

(vers 11.47)

 

In Synthese (5.10 t/m 5.13) – Oorlog en vrede werden aspecten van deze misvatting in ogenschouw genomen. Uitzonderlijk, gezien het enorme belang van het idee van het bestaan van een ik of ego – van hier tot in het hiernamaals – worden deze vier publicaties onverkort en in één samenvatting herhaald.

 

 

In de publicatie over bonobo's (Advaita en Wetenschap (9) werd gesteld dat agressie een positief aspect kent in de zin dat deze noodzakelijk is voor het voorkomen van vernietiging.

In elk van ons is de dualiteit opbouwen en vernietigen aanwezig.

 

Onder leiding van Peter Turchin is door een groep ecologische wetenschappers een historisch onderzoek gedaan naar de drijvende krachten voor de evolutie van de samenleving; dit onderzoek werd gepubliceerd onder de titel “ War and peace and war”; eveneens werd een wiskundig model ontwikkeld dat drieduizend jaar van deze ontwikkelingen in kaart bracht en aantoonde dat agressie (oorlog) een buitengewoon drijvende kracht voor de ontwikkeling van de samenleving vormde.

Zou bijvoorbeeld een stimulans tot vereniging van de staten van Europa op gang gekomen zijn zonder de nefast geachte Tweede Wereldoorlog en het Nazisme?

 

Deze wetenschappers namen als uitgangspunt dat de mensheid met name energie investeert in het ontwikkelen van gemeenschappelijke doelstellingen en instellingen onder invloed van uiterst vernietigende gebeurtenissen. Het bleek dat nieuwe militaire technologieën, welke hun impuls verkregen vanuit agressieve doelstellingen, door middel van oorlog zich konden verspreiden door het vernietigen van zwakke rijken en zo de weg konden effenen voor nieuwe samenlevingsmodellen.

 

Het beeld van de deeltjes die elkaar scheppen en vernietigen – zie Advaita en Kwantumfysica (2) – en de continu scheppende en vernietigende god Shiva – zie Advaita en Wetenschap (7.2) is niet alleen op micro-niveau en mythologisch niveau aanwezig, maar evenzeer op macro en kosmisch niveau. Met andere woorden : het is een inherent aspect van een nog diepere of achterliggende kracht. In de publicaties Advaita en Wetenschap (7.4) en (7.5), Synthese (4.13) en (5.09) werd deze kracht aangeduid als karma – in de oorspronkelijke betekenis van energie of scheppingskracht – of conatus in de terminologie van Spinoza.

 

Dit is evenwel geen pleidooi voor oorlogsvoering, maar slechts een vaststellen dat deze kracht onlosmakelijk verbonden is aan het worden; worden en verworden zijn, zoals reeds meerder malen eerder gesteld is, een paar van tegenstelling in een dualistisch perspectief.

Het fenomeen oorlog als een inherent aspect van het worden, stelt de actuele situatie voor de huidige mensheid in een scherp daglicht en werd helder verwoord in een opiniebijdrage van Chams Eddine Zaougui (Arabist en journalist) in De Standaard van 24 september jl.

Zijn mening is, dat terecht tegen het terroristisch geweld geageerd moet worden, maar dat evenmin de achterliggende oorzaak van dit geweld niet uit het oog verloren mag worden. Militaire represaille alleen is daarom geen oplossing, omdat zowel in Afghanistan als in Kenia de terreur voor de jongeren een optie tot overleven is in een samenleving die geteisterd wordt door criminaliteit en voedselschaarste. Een structurele oplossing ligt volgens de auteur in onderwijs en werk.

 

Heeft de Boeddha ook niet terecht opgemerkt dat eerst gezorgd moet worden voor een goede broodwinning en dat daarna de rest (geestelijke ontwikkeling ?) aan bod kan komen.

Of bevat de uitspraak van Jezus - “aan wie heeft [het geestelijke]zal gegeven worden en van wie niet heeft zal het weinige [het materiële] dat hij heeft afgenomen worden” (logion 41) - anders niet een dubbele bodem en zal dit “weinige” niet alleen bij de dood ontnomen worden, maar misschien reeds met geweld bij leven?

 

Als de Avadhuta Gita in vers 1.15 stelt dat “Eenheid en gescheidenheid bestaan niet in betrekking tot u noch tot mij.....alles is waarlijk het Zelf “ , dan is dit geldig voor ieder van ons, niet alleen ten opzichte van het Zelf (hoewel dit ten onrechte lijkt te suggereren dat het Zelf iets buiten ons is), maar óók ten opzichte van elkaar en alles. Dit zal dan inhouden dat hoe langer hoe meer, zoals bij de bonobo's, het beschikbare gedeeld moet worden en de grenzeloze, aarde uitputtende vergaring doorbroken gaat worden. Het zal echter de geaardheid van de specimen mens in acht genomen niet anders kunnen dan onder dwang – de vorm waarin is van veel externe factoren afhankelijk, maar dat dit op een agressieve wijze kan plaats hebben is alles behalve uitgesloten; dit is trouwens de teneur van de studie “ war and peace and war”. Het is utopisch te veronderstellen dat onderwijs en werk een voldoende drijfveer zullen vormen om tot een rechtvaardige (her)verdeling te komen, hetgeen gelet op het verleden, hoogst waarschijnlijk even geldig is voor om het even welke religie; het is trouwens zeer aannemelijk te veronderstellen dat bonobo's geen religie hebben en bijzonder intrigerend wordt dan de vraag hoe zij tot deze vorm van samenwerken hebben kunnen komen.

 

Oorlog en vrede zijn bijgevolg een tegenstelling die in alles aanwezig is en ook voor dit paar van tegenstelling zou het niet juist zijn het ene been te aanvaarden en het ander te verwerpen, hoezeer dit ook vanwege het onnoemelijk lijden dat dit met zich meebrengt gevoelsmatig moeilijk te aanvaarden is. Zoals voor elk paar van tegenstelling geldig is, geldt voor oorlog en vrede ook : (g)eenheid.

 

.....

 

In de publicatie oorlog en vrede (1) is veronderstelt dat het utopisch is zonder enige dwang of agressie een voor de evolutie van de samenleving noodzakelijke verandering mogelijk zal zijn.

Daarnaast is oorlog en vrede als onlosmakelijke dualiteit aanwezig in allen en alles.

 

Het is wellicht even utopisch te denken dat een wereldbevolking van 7 miljard mensen en masse tot een inzicht en verlichting zal komen die deze dualiteit kan overstijgen, zelfs van een stuwende kracht van 200 miljoen boeddhisten mag deze deze krachttoer niet verwacht worden.

Betekent dit dan dat het een hopeloze zaak is, dat de mensheid in zijn geheel nimmer tot inzicht en verlichting zal kunnen komen, dat ten eeuwige dagen agressie en oorlog zullen blijven bestaan?

De kern van het probleem is en blijft de gedachte dat er iets als een individualiteit bestaat, zowel in dit hier en nu, als in het daar en dan. Dat er geen besef is ten aanzien wat men werkelijk is.

Het Boeddhisme kent twee hoofdstromen, namelijk het Hinayana (Klein voertuig) dat alleen naar een persoonlijke verlichting streeft en het Mahayana (Groot voertuig) dat streeft naar verlichting van alle wezens. Is streven naar verlichting, ongeacht of dit voor persoonlijke doeleinden is of niet, in wezen niet een ego gerichte activiteit?

In de Diamant Sutra stelt de Boeddha bij herhaling dat er niet zo iets als een persoonlijkheid of individualiteit bestaat en ook “.....wanneer alle wezens bevrijd zijn, in werkelijkheid niemand is bevrijd ”.

 

Als de eigen verlichting iets is van het ego, als er geen enkel wezen in werkelijkheid bevrijd kan worden, welk houvast is er dan nog? Als oorlog en vrede elkaar eeuwig en altijd blijven afwisselen, zowel in onszelf als onderling, heeft het dan nog zin de moeite van het kennen van jezelf en het moeizame geploeter om langs die weg tot een zuiveren van het denken te komen, laat staan tot het “offer van het denken”?

 

Er is wel degelijk een uitweg in deze impasse naar een immense vrijheid.

Het besef, het diep, intens diepe besef dat het ik, de individualiteit en persoonlijkheid die altijd geacht werd er te zijn, niet bestaat en ten volle de consequenties daarvan te aanvaarden.

Swami Ram Tirth wist vooraf wanneer en hoe hij zou sterven (33 jaar oud en door verdrinken tijdens zijn bad in de Ganges) en één uur voor dit ogenblik schreef hij met tranen in zijn ogen van gelukzaligheid die wondermooie tekst, waaruit al meerdere keren geciteerd is, maar hier nu meer volledig volgt :

O dood , ga voort en raak mijn lichaam; ik heb miljoenen lichamen waarin ik kan leven. Ik zal mij kleden met de gloed van de maan, met de nevel van ragfijne zilverdraden en mijn tijd verbeiden in verstilde rust. Ik zal mijn liederen zingen in de vorm van bergbeekjes en stroompjes, in de vorm van ruisende golven; ik zal verdergaan. Ik ben de lichtvoetige wind die verder loopt in extase. Ik ben de altijd verglijdende vorm die voortgaat als de tijd. Door mij barstten de rozen in lachen uit en zong de nachtegaal haar wijsjes; ik klopte op de deuren en liet de slapenden ontwaken, terwijl ik de tranen van de een droogde en de sluier van het gezicht van de ander wegblies. Ik ga, ik ga met niets in mijn bezit.”

En terwijl hij zijn bad nam en door de stroming werd meegevoerd hoorde men hem zeggen : “ Ga! Als je bent voorbestemd om op deze manier te gaan, ga dan! Om! Om! Om!”

En hij dreef stroomafwaarts naar een plaats waar de stroming hem in een grot onder water trok.

 

Deze getuigenis – van relatief recente tijd (1906) – illustreert een totale overgave van de persoonlijkheid en besef van het niet bestaan van een individualiteit.

In de leringen van Ramana Maharshi (redactie David Godman) wordt eveneens een gelijkaardig zienswijze vermeld :

...er zijn twee wegen om je lot te overwinnen. De een is te ontdekken dat je ego niet echt bestaat. De ander door je eigen hulpeloosheid in te zien en je volledig over te geven aan je Meester en daarbij elk gevoel van 'ik' en 'mij' op te geven.”

 

In feite vloeit de tweede weg op natuurlijke wijze voort uit de eerste, ze zijn zelfs in wezen ondeelbaar. Zelfs een idee van bevrijding blijft hierbij geheel achterwege, daar het koesteren van een dergelijk idee nog altijd de kiem van een 'ik' in zich draagt.

 

In een werkelijk doorleefd besef, inzien dat de individualiteit slechts bestaat bij de gratie van een dualistisch denken en in volledige overgave aanvaarden dat men werkelijk is als pottenbakkersklei op het draaiend wiel van de Meester, ontstaat – hoe paradoxaal – een ervaring van een immense vrijheid. Dan wordt vers 1.11 van de Ashtavakra Samhita een gevoeld beleven : “Hij die zichzelf vrij wéét, is inderdaad vrij, en hij die zich gebonden acht, is inderdaad gebonden. Zoals een mens denkt, zo wordt hij....” En te midden van de afwisseling van oorlog en vrede gaat de vrije ziel – de avadhuta – onbekommerd zijn weg, zich niet bezig houdend met leven of dood, hier en hierna, comfort of ongerief.

De gedichten van Luk Heyligen en de context die Arnold daartussen legt in Synthese (4.10) sluiten hierbij aan; het einde van de nacht!

 

Laat ons dansen!

Laat ons samen dansen!!

Dansen en dansen

en drinken van de sublieme nectar van de non-dualiteit!!!

 

.....

 

Arnold :

 

Mijn broer is gestorven...............door eigen hand; 77 jaar en niemand weet waarom. Hij kon goed zwemmen en toch was een ondiepe plas voldoende voor hem.

Dit vind ik het meest intrigerende, het lijkt mij dat als niemand iets bespeurd heeft van enige wanhoop bij hem, dat er toch veel moed voor nodig moet zijn om je als goed zwemmer te kunnen verdrinken in een ondiepe plas.

Ik buig in respect voor mijn broer.

 

 

Het leven is een geschenk zei een christelijk gelovige, een geschenk van God en euthanasie is uit de boze, laat staan zelfdoding; je moet je lijden van welke aard ook verdragen, pijn mag met medicaties bestreden worden.

Ik buig in respect voor deze gelovige.

 

Het leven kan een hel zijn zei een ongelovige en een ondragelijk lijden van welke aard ook mag beëindigd worden om menswaardig te kunnen sterven.

Ik buig in respect voor deze ongelovige.

 

Suzanne :

 

Jij eert zonder te eren, door voor hen te buigen Arnold, het enig bestaande Wezen in hen dat ook in jou de enige ware Essentie is!”

 

Will :

 

Vandaag [10 oktober] staat er in De Standaard een serene getuigenis van zanger Kris De Bruyne naar aanleiding van de euthanasie van zijn moeder. ' Zij was zo blij, eindelijk had zij weer iets om naar uit te kijken. Moeder is zo mooi gestorven, in haar mooiste slaapkleed, in haar eigen bed en met een glimlach om haar mond.'

 

Religies huldigen het standpunt dat verdediging manu militari van de staat toegelaten is en dat sneuvelen voor dit doel geen zelfdoding is en kennelijk is dit ook geldend voor een beroepskrijger. Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat het recht op vrijheid en eigendom een hogere waarde heeft dan het geschenk van het leven.

Berusten al deze standpunten – dus ook die omtrent zelfdoding en euthanasie niet op het denken, op percepties, op (bij consensus) bepaalde sociale codes en dit alles aan verandering onderhevig is?

Is gewetensnood niets anders dan een conflict tussen een situatie en het aangeleerde

- en dus veranderlijke - individuele stelsel van denken?

Maar nog meer van belang is, dat als één standpunt ingenomen wordt, het andere noodzakelijkerwijze afgewezen moeten worden.

Het ene standpunt is goed en het andere is het kwaad en is te bestrijden. Dus “oorlog” verbaal, fysiek, emotioneel en in ons hart.

Nooit kan men in vrede verwijlen als er iets niet aanvaard en gerespecteerd wordt, als verwerpelijk beschouwd en uit het oog verloren wordt dat al deze verwerpelijke of aanvaardbare zaken slechts een geldigheid hebben voor een bepaalde plaats en en tijd.

 

Arnold :

Ik kan niet inschatten door welke hel mijn broer is gegaan, noch kan ik weten hoe zwaar zijn rugzakje geworden was en de geringheid van zijn draagkracht. Zijn pijn viel wellicht niet onder het begrip' ondraaglijk fysiek/psychisch lijden' of was euthanasie in zijn omgeving niet bespreekbaar. Bij mijn weten heeft hij ook nimmer gevraagd om het geschenk van het leven. Hoe kan er iets bestaan als een dergelijk geschenk? Het bestaat gewoonweg in al zijn vormen en gradaties.”

 

Will :

Door het te koppelen aan een begrip als 'ik' en individualiteit kan spontaan en onlosmakelijk het idee van een geschenk ontstaan. Opnieuw blijkt hoe essentieel het is de waarachtigheid van het reële bestaan van een 'ik' of individualiteit en de overtuigingen te onderzoeken.

Vers 1.24 van de Ribhu Gita [volledige versie ] geeft dit zo weer:

'Is er “jij”, is er “ik”; is er geen “jij” is er geen “ik”. Als er “dit” is, is er “dat”.

 

Suzanne :

Door hen en het te eren zonder te eren, eer ik de essentie van Mijzelf.” [zie De Clown (7).]

 

.....

 

In Synthese (5.12) staat onder andere : “Nooit kan men in vrede verwijlen als er iets niet aanvaard wordt, als verwerpelijk beschouwd wordt .....Het ene standpunt is goed en het andere is het kwaad en is te bestrijden. Dus “oorlog” verbaal, fysiek, emotioneel en in ons hart.”

 

Dit brengt opnieuw – zie met name Spinoza en Advaita (6) en (8.3) - het aspect vergeven onder de aandacht. In het bijzonder zijn twee elementen van het proces hier belangrijk, namelijk de oorlog die met het eigen ik gevoerd wordt en de passus uit het gedicht van Luk Heyligen : “.....slechts door 't vergeven van 't verleden kan de toekomst zich openbaren.” (Synthese 4.20)

 

Arnold schreef :

Hoe kan er vrede zijn in mij zolang ik ook maar iets blijf afwijzen?

Daarom moet ik vergeven; op basis van het inzicht dat ik de ander begrijp omdat ik

mijzelf ken.”

 

Vergeven is een daad van opperst egoïsme. Door de oorlog in mijzelf aan te gaan – niet in de zin van 'ik móet vergeven' – door het begrijpen dat de ander niet anders is dan men zelf is, zeker als men in identieke omstandigheden zou verkeerd hebben. Het begrip op basis van zelfkennis is de sleutel die het slot van het vergeven kan openen.

Het is op een rationele en niet religie gebonden inzicht, dat ervaren kan worden dat het vergeven leidt tot de door het ik verlangde rust en vrede.

Niet door haten komt haat tot rust, maar door niet te haten. Dat is een eeuwige wet” stelt vers 5 uit de Dhammapada. Het is een wet gebaseerd op ervaring en de waarachtigheid daarvan kan iedereen gemakkelijk vaststellen.

 

De eigen vrede die versluiert zit onder de eigen oorlog! Het is paradoxaal en toch juist. Het lijkt wel of alles zo gemaskeerd is. Kon Suzanne niet door haar acceptatie van het andere niet komen tot haar uitspraak “door hen te eren zonder te eren, eer ik de essentie, het wezen van Mijzelf”? De werkelijkheid van de eigen vrede in het kleed, het maya, van de eigen oorlog.

 

Deze paradox werd bijzonder kernachtig weergegeven door een uitspraak die in de moslimtraditie aan Jezus wordt toegeschreven :

Gij zult niet bereiken wat gij verlangt anders dan te lijden onder dat wat gij niet verlangt.”

 

KWINTESSENS (11.05) - Ik en de ander.pdf (80,1 kB)