Spinoza en Advaita (4) Dualiteiten

10-01-2013 07:14

SPINOZA EN ADVAITA (4)

 

 

De tweede parallel betrof het ontbreken van een objectief begrip van goed en kwaad

en de paren van tegenstelling; zie Spinoza en Advaita (1).

 

In wezen is ieder paar van tegenstelling artificieel en dit wordt onder andere verwoord in de bekende uitspraak: “de gustibus non disputandum”, er wordt daarbij gedacht aan smaken en kleuren. Maar wat omtrent goed en kwaad, doden en euthanasie ( al of niet wettelijk ) versus leven als de meest fundamentele tegenstellingen? In feite kunnen deze laatste tegenstellingen gerangschikt worden onder de begrippen goed en kwaad; doden en euthanasie als niet goed/kwaad en het leven behouden als goed.

Een aloude, maar toch zeer indringende vraag luidt: heeft er iemand mij gevraagd of ík het leven wilde? Was dat goed die ouderlijke daad dat leidde tot het bestaan van een wezen dat een leven vol lijden zou kennen? Was die daad – in onwetendheid van dat wezen dat een leven vol lijden kende – een niet goede daad?

Is doden niet goed en het leven doen behouden of geven wel goed?

Er is een aanval en u doodt, want er is het recht op leven. Heeft de aanvaller geen recht op leven?

Uit de Bhagavad Gita – die net als de Advaita geënt is op de Veda's/Upanishaden – de volgende verzen:

- Wie zich beschouwt als doder en wie denkt dat hij gedood wordt, beiden zijn onwetend....

- Deze lichamen die bewoond worden door de Ene onsterfelijke, onvernietigbare en oneindige, zijn sterfelijk. Daarom strijdt.

- Hij wordt niet geboren, ook sterft Hij niet ....Hij wordt niet gedood als het lichaam wordt gedood.

Bhagavad Gita verzen 2.18 t/m 2.20.

Ook vers 1.29 van de Avadhuta Gita drukt zich uit in de zin van de Bhagavad Gita 2.18

 

Kan er gezegd worden: ik doe mij leven? Als deze vraag ontkennend beantwoord moet worden, kan er evenmin gezegd worden: ik dood mijzelf. Vervolgens moet daarnaast de vraag gesteld worden: welke essentie in mij doet mij wél leven?

 

Uit deze extremen en nog tal van andere voorbeelden kan ingezien worden dat de stelling van Spinoza en de Advaita juist is; het zijn conventies om dit goed en dat kwaad te noemen. Conventies die in de tijd aan verandering onderhevig zijn. Goed en kwaad, schoon en lelijk, etc. zijn paren van tegenstelling, relatief en dienen het particulier belang van een ik, ego, dat zich beschouwt als de doener. Zoals reeds kort geduid is in Spinoza en Advaita (1) vormt het ontbreken van een objectief begrip van goed en kwaad geen grondslag tot (niet)handelen naar willekeur; hier wordt later op terug gekomen.

 

Ook het ik en de ander, ik en het andere, zijn paren van tegenstelling, mentaal van aard, ontstaan uit het denken. Het zijn begrippen die nodig zijn voor de communicatie, maar in werkelijkheid modi zijn van de Ene aldoordringende Werkelijkheid. En vanuit die Ene Werkelijkheid onbenoembaar zijn, zoals door het Tao-symbool op de startpagina weergegeven wordt.

 

Spinoza en Advaita (4) dualiteiten.pdf (50,1 kB)