SYNTHESE (4.08) Beseffen - intuïtie

27-09-2013 19:46

SYNTHESE (4.8) Beseffen – intuïtie

 

 

In Synthese (4.7) is het aspect intuïtief inzicht ter sprake gekomen. Een begrip dat bij de rationeel ingestelde mens veelal op de nodige scepsis onthaald wordt. Toch moet het feit dat vele eminente denkers het aspect intuïtief inzicht serieus nemen tot nadenken stemmen. Niet de minste onder hen is Spinoza. In de 'De doornen en de roos' wordt door de schrijver grondig op Spinoza's zienswijze hieromtrent ingegaan.

Onder andere stelt hij dat er minstens twee voorwaarden noodzakelijk zijn om tot dergelijke inzichten te kunnen geraken, te weten:

een ten opzichte van het subject geplaatst objectief kader, zodat er tegenover het eigen denken een refereren mogelijk wordt;

een daadwerkelijke activiteit binnen dit kader.

Aan de eerste voorwaarde kan goed voldaan worden door het bestuderen van liefst originele (vertaalde) bronteksten uit een van de in Synthese (1) vermelde vier filosofieën.

Aan de tweede voorwaarde voldoet een systematisch en dagelijks zelfonderzoek.

 

In zijn commentaar bij vers 29 van 'Veertig verzen over de Werkelijkheid' van Ramana Maharshi zegt S.S. Cohen: “ het gehele proces is dialectisch en gaat gepaard met logica, totdat het eindigt in de stilte van het hart, dat alle mentale functies overstijgt.”

Zoals meermaals betoogd is wordt de interne dialoog en tegenstelling van deze dialectiek het best bereikt door een stelselmatige vastlegging hiervan. Zie hoofdstuk 8 van de syllabus 'Ken je zelf' en Synthese (3.1) voor de motivering.

Het vastleggen heeft als meest bijzondere eigenschap dat het dwingt tot het zich concentreren op het object; hoe intenser de (objectieve) waarneming hoe meer aspecten van het object kunnen oplichten. Het is een aloude techniek die ook in vers 2.15 (en annotatie) van de Avadhuta Gita vermeld wordt.

Het object van Arnold in Synthese (4.7) kan als een in de annotatie genoemd 'grof of uitgesproken object' beschouwd worden. De bekomen inzichten – hoewel het in feite één doorlopend proces betreft – kunnen evenzo als grof en subtiel onderscheiden worden.

 

Onder deze voorwaarden is een flits van inzicht, het zien wie men werkelijk is zoals Arnold beschreef in Synthese (4.7) mogelijk. Op geen enkele wijze is echter rationeel een dergelijke ervaring te bewerkstelligen, noch is het moment waarop en waardoor voorspelbaar. Deze flitsen van inzicht zijn een geschenk, een genade die geschonken kan worden als de voorafgaandelijke voorwaarden vervuld zijn. Ten aanzien van het moment kan nog opgemerkt worden dat zeker voor de “grove” inzichten het tijdstip een geheel andere kan zijn dan het moment van de concentratie. Uit de bijdragen van Suzanne en Arnold kan gevoeglijk afgeleid worden dat ook bij hen het fenomeen van deze flitsen van inzicht zich voor heeft gedaan.

 

 

Zowel de citaten uit 'De wolk van niet weten' (zie Synthese 4.7) als het betreffende hoofdstuk uit 'De doornen en de roos' slaan de nagel op zijn kop.

Het kennen van zichzelf, weten wie men werkelijk is, houdt evenwel niet op bij het (h)erkennen van één aspect; het is een aanhoudende arbeid tot het moment van het ervaren van de Gelukzaligheid. De weg voert evenwel ook langs de afgrond van een aan gruzelementen liggend zelfbeeld; slechts langzaam houdt men op te zijn wie men niet is.

 

SYNTHESE (4.08) Beseffen - intuïtie.pdf (38,7 kB)