SYNTHESE (5.18) (G)EENHEID - ratio en intuïtie

08-03-2014 07:38

 

 

SYNTHESE (5.18) (G) EENHEID – ratio en intuïtie

 

 

Het begrip weten omvat diverse gradaties van weten.

Allereerst het gewone dagdagelijkse weten; dit weten dat zich zelfs uitstrekt tot het domein van wetenschap en spiritualiteit is louter en alleen ervaringskunde en blijft onderhevig aan een onzekerheidsfactor. De wetmatigheden daarvan blijken slechts relatief geldig te zijn, zowel ten aanzien van de omstandigheden als ten aanzien van de tijd.

Dit weten, deze ervaringskunde wordt gewoonlijk onder de ratio begrepen; de werking hiervan met de koppeling naar de gevoelens is ruimschoots in de Syllabus uiteen gezet.

Dit weten is op grote schaal gemeenschappelijk te ervaren en te communiceren, zij het dat het ervaren toch weer voor een ieder een unieke beleving is, juist door de binding met het emotionele brein.

 

Het intuïtieve weten ontsnapt aan elke rationele grondslag en kan niet of in slechts zeer beperkte mate gedeeld worden. Het is een ervaring waarvan diegene die ervaart zelf veelal met opperste verbazing vervuld wordt. Een herhaling, een reproduceren ervan is voor zover bekend niet mogelijk. Dit staat al in een schrille tegenstelling tot de rationele ervaring(skunde) waarop door de grote mate van reproduceerbaarheid zekere wetmatigheden gebaseerd kunnen worden.

Vaak doet dit intuïtief zich voor op momenten van ontspanning na een opperste concentratie, de “aha” belevenis.

 

Het intuïtief weten kent evenwel nog diepere gradaties (deze term suggereert ten onrechte het bestaan van afgebakende domeinen!). Ter illustratie :

 

Suzanne :

Ik heb in 'Poppenspel' (De Clown (6) gesproken over de ervaring van geborgenheid een ervaring die zich veel later herhaalde bij het bezoek aan een dementerende en terminale vrouw. Nadien besefte ik – maar beseffen is een onjuiste term, beter zou zijn te spreken van weten – wist ik plotseling dat als ik sterf dat ik terugkeer naar de geborgenheid vanwaar ik ontsprongen ben. Rationeel kan ik dit niet hard maken en toch is dit voor mij een weten, een zo zeker weten dat het van fundamentele invloed is op mijn houding, nu en later.

Soms ontmoet ik iemand die ik niet of amper ken en toch is er het gevoel van een enorme band, zonder dat diepgaande of zelfs nauwelijks enige woorden gewisseld zijn.”

 

Arnold :

Norbert (zie Synthese 3.20) zei tegen de verpleegkundige van het palliatieve team dat hij het gevoel had dat hij alles aan Arnold kon toevertrouwen. Ook dit is een weten dat voorbij gaat aan elk rationeel denken.

Waarom klikte het op zo'n buitengewone wijze van meet af aan tussen Liesbeth (zie Synthese 3.05) en mij, zodanig dat er een onvoorwaardelijk vertrouwen was dat alles weer open maakte? Welk intuïtief weten speelde hier? Een weten dat een niet-weten is, voorbij iedere rationaliteit.

 

Will :

Zou misschien het lichaam – dat ook een en al bewustzijn is – via zijn energetisch veld – de aura – informatie uitzenden, die op een niet rationeel, denkend niveau wordt opgevangen en geïnterpreteerd? Per slot van rekening is het mogelijk een dergelijk veld ook fotografisch vast te leggen en worden traditioneel heiligen met een stralenkrans afgebeeld. Ook kunnen wij iemand of iets gewaar worden zonder dat er een zintuig aan te pas komt.

 

Arnold :

Toen Thomas stervende was, ik hem voorzichtig vast hield en mijn ogen sloot zag ik licht. Toen het weer donkerde voor mijn nog altijd gesloten ogen heb ik ze geopend en Thomas was gestorven. Er zijn talloze getuigenissen van bijna dood ervaringen die gewag maken van licht, maar ik heb licht gezien en naar mijn gevoel was het zijn licht dat mij langs de aanraking mij bereikte.”

 

Will :

Uiteraard is hier geen enkele rationele verklaring voor, maar toen ik je verhaal aan een Aboriginal arts vertelde zei hij dat men in zijn cultuur een stervende niet aanraakte om elk risico van “meegaan” met de stervende te vermijden. Voor hem was het zien van het licht van een ander niet vreemd.”

 

In het voorwoord van de Ashtavakra Samhita wordt gezegd dat de Vedanta/Advaita een drievoudige maatstaf erkent voor het kennen van de Werkelijkheid of Waarheid, nl. het gezag van de geschriften, de logica (lees : ratio) en een supra-rationele intuïtie, dat de ratio doet overstijgen om de Werkelijkheid direct intuïtief te kunnen ervaren.

In dit licht is het intuïtief weten niet een fantasie, hoewel de ratio nodig is en blijft om ontsporingen hierin te kunnen corrigeren. Even duidelijk zal zijn dat overdracht aan en een herhaald beleven door derden van dergelijke ervaringen nagenoeg uitgesloten zal zijn en daardoor door de louter rationeel ingestelde mens met scepsis benaderd zal worden.

Dit intuïtief weten treedt in het bijzonder op als het denkend ik – het rationele brein – verstild is. Het is paradoxaal dat enerzijds de ratio noodzakelijk is en anderzijds zich moet terugtrekken om het intuïtieve weten naar buiten te kunnen laten komen in een sprakeloos spreken.

Is dit wel een paradox?

Beide vormen van bewustzijn zijn nodig om tot een bewust volwaardig wezen te ontplooien en zijn in feite één ondeelbaar bewustzijn, naadloos elkaar doordringend; in het dualistisch denken worden artificieel ter onderscheiding twee begrippen gecreëerd.

 

Elkaar voorbijgaan.

Dát enkel zwijgend moment

in één ogenblik.”

 

 

Een zachte streling,

terloops, in 't voorbijgaan.

Het is slechts de wind?”

 

SYNTHESE (5.18) (G)EENHEID - ratio en intuïtie.pdf (61,7 kB)