SYNTHESE (3.05) Ken je zelf - ruimte

26-05-2013 07:36

SYNYHESE (3.5) Ken je zelf – ruimte

 

 

De hierna volgende tekst van Arnold sluit direct aan bij beide laatste alinea's van SYNTHESE (3.4) Ken je zelf – doodsangst. Het wordt integraal zonder verdere toelichting weergegeven, om redenen dat het geheel en al uit zichzelf spreekt. Met respect en dankbaarheid jegens Arnold!

 

 

Wanneer wij ruimte zijn......

 

De 50-jarige Liesbeth met uitgezaaid melanoom is opgegeven en sedertdien depressief, sluit zich op en weigert alle bezoek. Mij de situatie inbeeldend vind ik geen enkel houvast om haar te benaderen en besluit dat ik geheel en al open moet zijn in vertrouwen en intense aandacht.

Op mijn vraag wat zij van mij verwacht antwoordt zij verrassend met : 'ik zal zelf moeten stappen, maar hoop dat je me enkele stapstenen kunt aanreiken.'

'Laten wij dan op weg gaan en samen zoeken' zeg ik haar.

Er is zóveel openheid in Liesbeth als zij vertelt over haar angsten, haar verdriet, het (nog) niet kunnen loslaten, het niet kunnen zien van haar kleinkinderen, de angst voor de verwording.

Ik luister, daag haar uit tot zoeken in zichzelf, soms door de vanzelfsprekendheid van haar gedachten in vraag te stellen, soms door haar gevoelens verder door haar te laten uitdiepen. Ik vertel haar van Luk, Thomas en anderen; de gedichten van Luk worden voor haar een rijke bron.

Niets gaan wij uit de weg, ook niet in bijzijn van Walter haar man.

Wij spreken over een voortbestaan na de dood, dat een bewust aanvaardend sterven op haar, Walter en de kinderen een enorme positieve impact zou kunnen hebben; alsook hoe om te gaan met angst, verdriet en de chaos van de daaraan verbonden gedachten.

'Hoeveel tijd heb ik nog' vraagt zij en ik antwoord: 'zoveel als je nodig hebt, gebruikt ze goed.'

Thuis slaat soms bij mij de twijfel toe. Ben ik te hard, te eerlijk geweest, haar hoop vernietigend en opnieuw depressief makend? De balans beweegt zich voortdurend in een polariteit en zoveel elementen zijn er buiten beheersbaarheid; ik voel mij soms zo hulpeloos en nietig.

Maar in de immens open ruimte van onze relatie kan alles benaderd worden, er is een wederzijds geven met alle inzet inzet en vermogen; wij zijn aanwezig met heel ons hart en alles vloeit, alles stroomt.

Iedere dag wordt zij sterker, verlaat haar kamer, gaat naar de tuin en ontvangt weer bezoek.

Mijn vakantie nadert, ik heb het gevoel haar dan in de steek te laten, het is nog zo broos. Want nog steeds, hoe kan het ook anders, wordt er angst, verdriet, hoop en wanhoop, vragen, in een onvoorstelbare zuiverheid en openheid bij mij neer gelegd en ik.......ik ben open, ruimte en ontvang. En in diezelfde ruimte beleef en aanvaard ik mijn eigen emoties.

 

'Het doet zo goed een klankbord te hebben en dat er zaken opengetrokken worden' zegt zij meermaals.

En...'wat zou ik nog kunnen geven?'vraagt zij!

Wat zou zij nog meer kunnen geven dan dit onvoorwaardelijk geven?

'Laten wij het pad verder gaan, niet wetend naar waar.”

Kort daarna gaat zij weer winkelen voor een trouwfeest, waar zij tot middernacht verblijft; op de foto's zie ik een niet getekende stralende vrouw.

 

Een week nadien wordt zij in het ziekenhuis opgenomen, is comateus. Ik kus haar tot afscheid, fluister 'tot ziens' en drie uur nadien ontvang ik een sms van haar overgaan.

Enige dagen na de begrafenis hebben Walter en ik een fijn en troostend gesprek; bij het afscheid omhelzen wij elkaar, hij blijft in de deuropening staan en meermaals zwaaien wij naar elkaar.

Ik besef het unieke en wondermooie van een relatie die in deze zuiverste vorm slechts in een dergelijke context kan bestaan.”

 

SYNTHESE (3.05) Ken je zelf - ruimte.pdf (55,7 kB)