SYNTHESE (4.01) Beseffen - identificatie (1)

02-09-2013 20:36

SYNTHESE (4.1) Beseffen – identificatie (1)

 

 

In de voorbije publicaties is meermaals gesproken over ontkoppelen en identificatie.

Altijd identificeren wij onszelf met iets of iemand, of vormen een zelfbeeld waarmee wij ons vereenzelvigen. Dit strekt zich ook uit tot datgene wat begeerd wordt of afkeer opwekt.

Vanwaar deze behoefte om iets of iemand te zijn, te bezitten – inbegrepen een partner – of juist niet te willen bezitten?

Het is een bekend verschijnsel dat jongeren hun identiteit zoeken en als volwassenen gaan wij daar onophoudelijk mee door ,omdat gedurende elke periode in het leven deze identiteit verandert.

Deze gang van zaken wijst duidelijk op het steeds weer aannemen van een identiteit, een rollenspel enerzijds en anderzijds een duurzame vreugde trachten te verkrijgen van iets dat een volkomen eigen(dom) is.

En onophoudelijk ontsnapt die waarachtig gedachte identiteit en vreugde en wordt er een nieuwe versie en object gezocht en gevonden, totdat.....

Een toverspel van zelfbegoocheling lijkt het wel, dat, als het beleefd mag worden, voortduurt tot zelfs alleen nog de herinneringen zijn overgebleven.

Vanwaar deze identificatie, die soms groteske vormen aanneemt in een of ander stadion of tijdens een nationale manifestatie, en een mateloze drang tot verzamelen?

Waarom deze onophoudelijke zoektocht naar hét enig echte eigene 'dat ben ik en wat een zaligheid' of het immens gevoelen van eindelijk thuis gekomen te zijn, in een geborgenheid zoals Suzanne beschreef in haar 'poppenspel' (de clown 6)?

De bron van dit spel van zelfbetovering is in wezen de vraag 'wie ben ik'? De enige echte en blijvende 'ik' drijft deze zoektocht, dit onophoudelijk in-diepe verlangen, het zich niet langer afgescheiden voelen.

Heel terecht stelt Ramana Maharshi steeds weer: “wie is dat ik?”

En na talloze vruchteloze pogingen wordt hopelijk stilaan de conclusie helder : alles waarmee ik mij identificeer eindigt, alles! Alles, behalve het idee van 'ik'. Dit idee blijft tot de laatste ademtocht zich verzetten tegen waar het zich niet tegen kan verzetten : ik ga dood; om dan toevlucht te nemen tot een hiernamaals.

 

Fysici uit de wereld van de kwantumfysica hebben aangetoond dat alles wat zich tot dusverre zich aandiende als materie steeds weer een 'leegte' bleek te zijn, waarin zich toch een cohesie, een samenhang aftekende. Reden waarom zij spreken van een veld van energie, waar wij – onder andere – niet meer dan een verdichting van zijn. Deze schijnbare vastheid van het lichaam is dus niet meer dan in wezen een verdichting van een amorf veld van energie. Deze verdichting staat niet los van het niet verdichte of andere verdichtingen van dit veld; integendeel, het vormt zelfs geen deel daarvan, het is het veld zelf. Het gezegde 'de waarnemer beïnvloedt door zijn waarnemen hetgeen waargenomen wordt' van de kwantumfysicus is een ervaringskennis die sterk in deze richting wijst.

Is het verlies van dit besef, dit weten wat wij werkelijk zijn de ware grond van de onophoudelijke behoefte om ons te identificeren? Immers een idee van het bestaan van een ik schept uit dit idee automatisch het idee van een ander en het andere en dus een eigen identiteit, iets waarmee wij ons kunnen onderscheiden van de ander en het andere. Terwijl de ander en het andere niets anders zijn dan dit ik, namelijk : een verdichting van dat ondeelbare veld.

 

Kan dit veld ook gezien worden als Bewustzijn? Het is evident dat voor een fysicus het moeilijk is om een nog onbekende energie te definiëren en te vervangen door een even abstract begrip als bewustzijn. Maar energie of bewustzijn zijn beide begrippen, zij het vanuit een verschillend domein van ervaringskunde, respectievelijk fysica en spiritualiteit. Vast te stellen is dat er energie of bewustzijn is, maar wát energie of bewustzijn is vormt (nog) altijd een onopgeloste vraag voor beide domeinen.

 

Indien aanvaard kan worden dat beide begrippen evenwaardig zijn, dan is de vaststelling van het verlies van besef wie wij werkelijk zijn, namelijk een ondeelbaar veld van energie, volledig synoniem voor het ondeelbaar veld van bewustzijn. En als wij zien naar de inherente intelligentie in de natuur en onszelf, dan dringt de conclusie zich op dat energie en bewustzijn inderdaad synoniemen zijn. Evenzo is het frappant dat deze ondeelbaarheid talloze malen benadrukt wordt in de Advaita, o.a. :

 

Hoe wonderbaarlijk! In mij, de oeverloze oceaan, rijzen de golven van de individuele ik-wezens op overeenkomstig hun aard, botsen met elkander, spelen een ogenblik en lossen weer op.”

(Ashtavakra Samhita 2.25)

Gij zijt uit één ondeelbare Essentie. Waarlijk, er is slechts één ondeelbare Essentie. Dit alles ( lees: universum) is uit één ondeelbare Essentie.”

(Ribhu Gita Sanskriet versie 4.13) .

 

SYNTHESE (4.01) Beseffen - identificatie (1).pdf (38,8 kB)