SYNTHESE (4.10) Beseffen - (ver)worden

04-10-2013 20:04

SYNTHESE (4.10) Beseffen – (ver)worden

 

 

In deze publicatie gaat Arnold voort op zijn bijdrage 'eenzaamheid' in Synthese (4.9).

 

Jaren lang werd ik steeds opnieuw getroffen door twee welbepaalde gedichten van Luk Heyligen. Uit het gedicht 'Wie zal er naast ons staan?' citeer ik de eerste en laatste strofe.

 

Als het er op aan komt, wie zal dan naast ons staan?

Als wij verarmd of kreupel, oud en gammel

of geslagen met duisternis niets meer zien.

Wie zal dan nog met ons zijn?

 

Als het er op aan komt, wie màg dan naast ons staan?

Zullen wij ons schamen om te verworden

of getuigen van wat wij altijd blijven?

Aan wie durven wij tonen

hoe wij zijn en wat wij zijn?

 

En uit het gedicht 'Nachtwacht' het tweede deel van de laatste strofe.

 

Waar eindigt de rivier en begint de zee. Waar

eindigt mijn adem en begint jouw lucht? Wanneer

begon je of ben je onbegonnen? Als je

dat herinnert is dat het einde van de nacht.

 

De vragen in het eerste gedicht hebben mij in het bijzonder met het ouder worden dikwijls bezig gehouden. Het verworden is fysiek, maar ook psychisch veelal een pijnlijk proces en als palliatief vrijwilliger weet ik wat dat kan betekenen, maar ook in mijn dagelijkse realiteit ervaar ik de vermindering van mijn vermogens. Toch houd ik mij er niet echt mee bezig, misschien als een subtiel negeren, misschien als uitvloeisel van mijn geestelijke groei. Het menselijk brein, dus ook het mijne, is zo enorm sluw dat het soms razend moeilijk is de juiste beweegredenen te doorgronden.

Voorlopig houd ik het op mijn geestelijk groeien in de loop van de jaren.

 

Wandelend door de velden zag ik eens hoe het regenwater van die nacht een afgevallen blad met een fijn laagje leem bedekt had, zodat nog juist de contouren ervan zichtbaar waren en ik besefte dat er in de natuur geen dood bestaat, alleen één onophoudelijke transformatie.

Onmiskenbaar is er in de realiteit van de zintuigen het verworden, maar tegelijkertijd is er het worden, het transformeren in andere materiële vormen. De compositie verandert, niet de ingrediënten.

Nooit heb ik beide gedichten met elkaar in verband gebracht tot plotseling een zin uit een van mijn meditatieschriften mij aan allebei de gedichten deed herinneren!

Het geciteerde deel van het laatste gedicht was voor mij een schitterende verwoording van de ondeelbaarheid en oneindigheid die wij zijn.

 

Het tweede gedicht - althans het betreffende deel – vormt in feite een volmaakt antwoord op het eerste gedicht :

het de compositie belevende – het bewustzijn – is onbegonnen en dus oneindig. Beide elementen – het (ver)worden en het onophoudelijke belevende zijn in deze laatste strofe terug te vinden.”

 

Opnieuw dringen zich de woorden van Swami Ram Tirth op :

 

O dood, ga voort en raak mijn lichaam. Ik zal mijn liederen zingen in de miljoenen lichamen waarin ik kan leven. Ik ga, ik ga, met niets in mijn bezit....”

 

Dit is de enige echte werkelijkheid : Dat, wat al wat is, met bewustzijn belevend doet bestaan. Dat, wat Arnold deed beginnen, doet ophouden en onbegonnen is.

Wij zijn de compositie, de penselen en de verf waarmede Het, de Meester, zijn droom schildert op het linnen van Zijn geest.

De niet-bewegende Ene, die zonder inspanning al wat beweegbaar en onbeweegbaar is beheerst, is Bewustzijn......” (Avadhuta Gita, vers 2.3).

 

SYNTHESE (4.10) Beseffen - (ver)worden.pdf (58,2 kB)