SYNTHESE (5.05) (G)EENHEID - Geest

13-01-2014 20:38

 

 

SYNTHESE (5.05) (G)EENHEID – Geest

 

 

Deze publicatie gaat voort op het aspect geen geest zoals in Advaita en Wetenschap (10) blijkt.

 

De geest heeft werkelijk de vorm van ruimte. De geest is werkelijk allesomvattend.

De geest is het verleden. De geest is alles. Maar in werkelijkheid is er geen geest.”

Dit vers 1.9 uit Avadhuta Gita zou het idee kunnen geven dat er niets is, juist zoals het bestaan van het universum ontkend wordt.

Maar tegelijkertijd wordt in dezelfde publicatie gewezen op het offer van het denken (Essentie Ribhu Gita) en de uitspraak van Zenmeester Suzuki : de mens is een denkend wezen, maar zijn grootste werken verricht hij als hij niet denkt. In dit zelfde licht moet ook gezien worden dat dan de Meester verschijnt.

Ook is er het bijzondere fenomeen van de intuïtie, dat ten tonele verschijnt wanneer dit denken afwezig of naar de achtergrond gedrongen is. Of diezelfde intuïtie die het laat afweten in geval van dementie.

 

Arnold : Ik kan het niet anders zeggen dan :

het is een voelend weten van zulk een intense diepte afkomstig dat het weten een niet wetend weten is.” (Synthese 3.19)

 

Suzanne : Het zijn momenten waarnaar ik terug verlang en tegelijkertijd weet dat ik deze niet vermag te verlangen, zij worden geschonken op de momenten dat ik er niet ben.” (Synthese 5.04)

 

Hoe kan dit alles geplaatst, gezien worden?

 

Vanwaar de echte intuïtie komt is een tot dusverre niet opgehelderd verschijnsel, dat het bestaat wordt door veel bronnen, waaronder Spinoza, als zodanig (h)erkend. Om zich van de intuïtieve gedachte evenwel bewust te worden is de gewone geest noodzakelijk. Een indirect bewijs hiervoor zijn er niet alleen de talrijke ervaringen, maar ook het ontbreken – voor zover bekend – van de intuïtieve gedachte bij de demente en mentaal gehandicapte mens.

 

Zowel Arnold als Suzanne geven aan dat er een weten en beseffen blijft bestaan; zij geraken niet in een toestand van inertie of buiten bewustzijn, integendeel, zij blijven functioneren op de momenten “....dat ik er niet ben.”

 

Vers 1.9 uit de Avadhuta heeft dus de schijn van ietwat kort door de bocht te zijn. Maar dit beperkt zich niet alleen tot dit vers en de geest, het strekt zich uit tot het gehele lichaam, als in vers 1.13 gezegd wordt : “Op geen ogenblik heeft u een lichaam.”

Er komt wat duidelijkheid door middel van de verzen 1.24 en 1.25, maar in het bijzonder door een van de eerste verzen, nl. 1.4 , “Hoe kan ik zeggen 'Het bestaat, het bestaat niet?' “

 

Zoals in Spinoza en Advaita (10) al werd aangegeven zal hiermee nu duidelijk worden dat er slechts één ding bestaat met twee aspecten : het relatieve aspect geest zoals dat kenbaar is in het gewone dagdagelijks leven en het absolute aspect waarbij de geest volledig samenvalt met het absolute Bewustzijn. Deze laatste staat kan ervaren worden als de denkende geest tot stilte is gekomen “even if it is a few seconds” (Naomi Feil; Synthese 5.04). Een staat van ervaren die niet te verwoorden is, maar terecht Suzanne ernaar doet terug verlangen.

Door het offer van het denken, de rusteloze geest te verstillen, onthult zich natuurlijkerwijze de absolute essentie van ons wezen (vgl. verzen 14, 24 en 25 van de Essentie van Ribhu Gita).

 

De Ribhu Gita vers 1.11 (Sanskriet versie) stelt klaar en duidelijk:

Er is niets waarvan gesproken kan worden als niet-Zelf, noch de geest als niet -

Zelf, noch de wereld als niet-Zelf; weest daar zeker van.”

Het éne ding – de geest – is in werkelijkheid onverdeeld Bewustzijn, dat vanuit onze duale zienswijze als twee aspecten beschouwd kan worden.

Begrijpelijker wordt hierdoor ook de verbazingwekkende uitspraak in Donder : volmaakt Bewustzijn ( Nag Hammadi geschriften) : “Ik ben ....de gedachte waarvan de herinnering veelvuldig is.”

Advaita, Boeddha, Jezus en Spinoza zijn hier in een wonderbaarlijke concordantie.

 

SYNTHESE (5.05) (G)EENHEID - Geest.pdf (55,1 kB)