SYNTHESE (5.07) (G)EENHEID - (G)een geest

20-01-2014 19:51

 

 

SYNTHESE (5.07) (G)EENHEID – (g)een geest

 

 

Arnold schreef het volgende :

Rond vijf uur 's nachts werden wij door onophoudelijk geblaf van honden gewekt. Mijn partner vertrok vol boosheid naar ons stille kamertje, ik bleef waar ik was en oefende mij in geen aandacht geven, dat wil zeggen : waarnemen zonder enige weerstand of gedachte. Het hondenkoor breidde zich uit, maar ik bleef bij mijn oefening. Ik ben terug in slaap gevallen!

 

Op een andere keer voelde ik een opkomende oorpijn, mijn gedachten sloegen op hol en mijn maag begon zure oprispingen te produceren. Door ook hier geen aandacht aan te geven ebde alles weg.

Opnieuw kon ik vaststellen dat een verschijnsel bij zuivere aandacht ophoudt te bestaan.”

 

Deze ervaringen van Arnold sluiten aan bij die van Suzanne (zie onder andere De Clown 5).

De gesteldheid – en dus met name de wijze van conditionering – van de geest bepaalt hoe een verschijnsel ervaren wordt. En hoe zeer deze geest berust op conditionering werd reeds in Advaita en Wetenschap (10) aangegeven. En hoezeer een veranderende houding, zienswijze, de wijze van ervaren verandert blijkt eveneens uit deze ervaringen als ook uit de getuigenis opgenomen in Synthese 4.03 denken.

 

Elk ervaren en wijze van dat ervaren – blaffen, pijn (fysiek of psychisch) – is relatief en bestaat in en door de geest. En elk ervaren berust op de individuele conditionering van de geest die ervaart.

Daarenboven wordt deze individuele conditionering mede bepaald door de fysieke hoedanigheid of hoedanigheden (mogelijkheden) van de waarnemer.

Aldus creëert iedere geest zijn/haar eigen relatieve werkelijkheid en wereld.

 

Op grond van deze voorgaande uitgangspunten – conditionering op grond van ervaring en fysieke hoedanigheid (mogelijkheden) – kan wellicht gezegd worden dat dit een geldigheid is voor iedere levensvorm. En dat bijgevolg iedere levensvorm, in een continu evolutionair proces, een bewustzijn is, dat zijn eigen doorlopend veranderende wereld schept (zie Advaita en Wetenschap 7.1 t/m 7.4 evolutie). De drijvende, bindende én gemeenschappelijke factor hierin is het Bewustzijn; het neemt alle vormen aan. In de poëtische bewoordingen van vers 2.13 uit de Ashtavakra Samhita :

Wonderbaarlijk ben ik! Verering voor mijzelf! Er is niemand zo vaardig als ik, die in eeuwigheid het ganse universum draag zonder het met het lichaam te beroeren.”

 

Maar in de ervaringen van Arnold en Suzanne schuilt nog een ander facet : het ophouden van het ervaren van een object bij een volgehouden zuivere, niet oordelende aandacht. Het is dit facet waar in de verzen 2.23 en 2.24 van de Ashtavakra Samhita naar verwezen wordt:

 

Oh, in mij, de oeverloze oceaan, bij het opsteken van de wind van het denken, ontstaan myriaden van werelden.

 

en

 

Met het gaan liggen van de wind van het denken, in mij de oeverloze oceaan, vergaat ongelukkiglijk de ark van het universum, met het jiva”

 

In de Avadhuta Gita en Essentie van Ribhu Gita wordt dit op de talloze wijzen tot uitdrukking gebracht : (g)een geest, (g)een wereld.

Een staat van zijn die geduid kan worden als (G)EENHEID; als een kind zonder verleden en herinnering, zonder toekomst en verwachting. In dit kind is geen ik en geen jij, geen dit en dat.

 

SYNTHESE (5.07) (G)EENHEID - (G)een geest.pdf (56,4 kB)