SYNTHESE (5.11) (G)EENHEID - oorlog en vrede (2)

03-02-2014 19:15

 

 

 

SYNTHESE (5.11) (G)EENHEID – oorlog en vrede (2)

 

In de publicatie oorlog en vrede (1) is veronderstelt dat het utopisch is zonder enige dwang of agressie een voor de evolutie van de samenleving noodzakelijke verandering mogelijk zal zijn.

Daarnaast is oorlog en vrede als onlosmakelijke dualiteit aanwezig in allen en alles.

 

Het is wellicht even utopisch te denken dat een wereldbevolking van 7 miljard mensen en masse tot een inzicht en verlichting zal komen die deze dualiteit kan overstijgen, zelfs van een stuwende kracht van 200 miljoen boeddhisten mag deze deze krachttoer niet verwacht worden.

Betekent dit dan dat het een hopeloze zaak is, dat de mensheid in zijn geheel nimmer tot inzicht en verlichting zal kunnen komen, dat ten eeuwige dagen agressie en oorlog zullen blijven bestaan?

De kern van het probleem is en blijft de gedachte dat er iets als een individualiteit bestaat, zowel in dit hier en nu, als in het daar en dan. Dat er geen besef is ten aanzien wat men werkelijk is.

Het Boeddhisme kent twee hoofdstromen, namelijk het Hinayana (Klein voertuig) dat alleen naar een persoonlijke verlichting streeft en het Mahayana (Groot voertuig) dat streeft naar verlichting van alle wezens. Is streven naar verlichting, ongeacht of dit voor persoonlijke doeleinden is of niet, in wezen niet een ego gerichte activiteit?

In de Diamant Sutra stelt de Boeddha bij herhaling dat er niet zo iets als een persoonlijkheid of individualiteit bestaat en ook “.....wanneer alle wezens bevrijd zijn, in werkelijkheid niemand is bevrijd ”.

 

Als de eigen verlichting iets is van het ego, als er geen enkel wezen in werkelijkheid bevrijd kan worden, welk houvast is er dan nog? Als oorlog en vrede elkaar eeuwig en altijd blijven afwisselen, zowel in onszelf als onderling, heeft het dan nog zin de moeite van het kennen van jezelf en het moeizame geploeter om langs die weg tot een zuiveren van het denken te komen, laat staan tot het “offer van het denken”?

 

Er is wel degelijk een uitweg in deze impasse naar een immense vrijheid.

Het besef, het diep, intens diepe besef dat het ik, de individualiteit en persoonlijkheid die altijd geacht werd er te zijn, niet bestaat en ten volle de consequenties daarvan te aanvaarden.

Swami Ram Tirth wist vooraf wanneer en hoe hij zou sterven (33 jaar oud en door verdrinken tijdens zijn bad in de Ganges) en één uur voor dit ogenblik schreef hij met tranen in zijn ogen van gelukzaligheid die wondermooie tekst, waaruit al meerdere keren geciteerd is, maar hier nu meer volledig volgt :

O dood , ga voort en raak mijn lichaam; ik heb miljoenen lichamen waarin ik kan leven. Ik zal mij kleden met de gloed van de maan, met de nevel van ragfijne zilverdraden en mijn tijd verbeiden in verstilde rust. Ik zal mijn liederen zingen in de vorm van bergbeekjes en stroompjes, in de vorm van ruisende golven; ik zal verdergaan. Ik ben de lichtvoetige wind die verder loopt in extase. Ik ben de altijd verglijdende vorm die voortgaat als de tijd. Door mij barstten de rozen in lachen uit en zong de nachtegaal haar wijsjes; ik klopte op de deuren en liet de slapenden ontwaken, terwijl ik de tranen van de een droogde en de sluier van het gezicht van de ander wegblies. Ik ga, ik ga met niets in mijn bezit.”

En terwijl hij zijn bad nam en door de stroming werd meegevoerd hoorde men hem zeggen : “ Ga! Als je bent voorbestemd om op deze manier te gaan, ga dan! Om! Om! Om!”

En hij dreef stroomafwaarts naar een plaats waar de stroming hem in een grot onder water trok.

 

Deze getuigenis – van relatief recente tijd (1906) – illustreert een totale overgave van de persoonlijkheid en besef van het niet bestaan van een individualiteit.

In de leringen van Ramana Maharshi (redactie David Godman) wordt eveneens een gelijkaardig zienswijze vermeld :

...er zijn twee wegen om je lot te overwinnen. De een is te ontdekken dat je ego niet echt bestaat. De ander door je eigen hulpeloosheid in te zien en je volledig over te geven aan je Meester en daarbij elk gevoel van 'ik' en 'mij' op te geven.”

 

In feite vloeit de tweede weg op natuurlijke wijze voort uit de eerste, ze zijn zelfs in wezen ondeelbaar. Zelfs een idee van bevrijding blijft hierbij geheel achterwege, daar het koesteren van een dergelijk idee nog altijd de kiem van een 'ik' in zich draagt.

 

In een werkelijk doorleefd besef, inzien dat de individualiteit slechts bestaat bij de gratie van een dualistisch denken en in volledige overgave aanvaarden dat men werkelijk is als pottenbakkersklei op het draaiend wiel van de Meester, ontstaat – hoe paradoxaal – een ervaring van een immense vrijheid. Dan wordt vers 1.11 van de Ashtavakra Samhita een gevoeld beleven : “Hij die zichzelf vrij wéét, is inderdaad vrij, en hij die zich gebonden acht, is inderdaad gebonden. Zoals een mens denkt, zo wordt hij....” En te midden van de afwisseling van oorlog en vrede gaat de vrije ziel – de avadhuta – onbekommerd zijn weg, zich niet bezig houdend met leven of dood, hier en hierna, comfort of ongerief.

De gedichten van Luk Heyligen en de context die Arnold daartussen legt in Synthese (4.10) sluiten hierbij aan; het einde van de nacht!

 

Laat ons dansen!

Laat ons samen dansen!!

Dansen en dansen

en drinken van de sublieme nectar van de non-dualiteit!!!

 

SYNTHESE (5.11) (G)EENHEID - oorlog en vrede (2).pdf (40,8 kB)