SYNTHESE (5.17) (G)EENHEID - geborgenheid

25-02-2014 20:47

 

 

 

SYNTHESE (5.17) (G)EENHEID – geborgenheid

 

 

Met “wij komen voort uit de geborgenheid, verblijven in deze geborgenheid en keren terug naar die geborgenheid” eindigde Synthese (5.16).

Eenvoudig gezegd : er is geen beweging!

De Ribhu Gita – zie de Essentie van Ribhu Gita verzen 60.6 en 60.7 – duidt dit als volgt :

.....Ik ben zowel het 'zijn' als het 'niet-zijn'.

Nooit is er iets ontstaan; Waar kan datgene dat nooit ontstaan is zich bevinden? Hoe kan er evolutie zijn van ongeboren en niet bestaande dingen?”

 

De zintuigen van ons fysieke lichaam, dat geacht wordt uit materie te bestaan, nemen evenwel objecten waar, waarvan de materie een nog duurzamer en vastere structuur lijkt te vertonen. Echter, tot op heden zijn de fysici er niet in geslaagd ook maar iets te vinden dat deze vastheid en duurzaamheid rechtvaardigt; reden waarom zij nu spreken van een veld van energie en (tijdelijke) verdichtingen daarvan.

 

Eerder werd de mogelijkheid niet onwaarschijnlijk geacht dat dit veld van energie gelijk zou kunnen zijn aan een aldoordringend Bewustzijn.

 

Na gebruik van een drug getuigde Aldous Huxley achteraf dat hij gezien had wat Adam gezien had op de dag van zijn schepping – het mirakel van het ontstaan van het naakte bestaan. Alle dingen straalden een innerlijk licht uit.

C.D. Broad (epistemoloog en filosoof) stelde dat ieder persoon op elk ogenblik in de mogelijkheid is zich alles te herinneren wat hem ooit overkomen is en alles waar te nemen wat waar dan ook in het universum gebeurt.

Hierop stelde Huxley dat ieder van ons potentieel de Totale Geest is!

Dit ervarend weten gaat voorbij het intuïtief weten waarvan in Spinoza en Advaita (14) gesproken wordt

 

Het is exact wat de strekking van de voorgaande publicaties is, in de diverse toonaarden in o.a. de Ribhu Gita gezongen wordt en uit de Chandogya Upanishad voortgekomen beroemde uitspraak : “tat tvam asi - Dat zijt gij”.

In deze Upanishad wordt dit met behulp van voorbeelden steeds herhaald, om aan te geven dat er niet iets is buiten het Dat.

 

Geen moment zijn wij niet Dat, geen moment zijn wij niet geborgen, alleen door het duale waarnemen en denken, voelen wij ons niet geborgen, living apart.

 

In de derde strofe van het gedicht 'Het Licht herzien ' van Luk Heyligen komt dit geborgen weten, gedragen weten tot uitbeelding :

 

 

Het Licht herzien

 

 

Nu zoeken wij weer het spoor. We verloren het

op verharde aarde, meer nog in bevroren lucht,

verstijfde gedachten, hoe we meenden dat

het is. En het water vreesden we, de poelen

verborgen we in donkerten, vergaten te

voelen. We moeten opnieuw kijken, het herzien.

 

Ik keek en zag dat God niet dood is, enkel gans

anders dan we verlangend of vrezend bedachten.

Hij is niet de rechter. Enkel de mensen

veroordelen. Noch is hij een trooster. Wij kregen

zelf voldoende helende krachten. Hij is niet

wat we verwachten. Wij moeten Hem herzien.

 

In een trager bewegen, in een lager ons

gedragen weten, komen we het weer tegen :

wat we waren en blijven, wat werkelijk is

en wat aanwezigheid betekent. Hoe het stroomt

en verlicht, ons beweegt en verdicht, hoe we het

ontvangen, hoe we het scheppend kunnen herzien.

 

Ik keek en zag dat wij niet moeten klagen en

minder vragen, veel meer geven en leren te

herinneren hoe te luisteren zonder ik,

zonder aan te passen, gewaarzijn zonder angst,

bestaan zonder gehoorzaamheid aan de

aangeprate modellen, authenticiteit herzien.

 

Wij zijn van voor de lucht zich tot verzuchtingen

bevroor, voor de wateren scheidden. Wij zijn niet

van steen, de poelen kunnen voelbaar herbronnen.

Wij zullen het spoor hervinden, het Licht herzien.


SYNTHESE (5.17) (G)EENHEID - geborgenheid.pdf (37,8 kB)