SYNTHESE (5.19) (G)EENHEID - liefde (1)

10-03-2014 20:28

 

 

SYNTHESE (5.19) (G)EENHEID – liefde (1)

 

 

Al wat benoemd kan worden is zuiver en alleen een begrip en de werkelijkheid niet.

Deze bewoordingen kunnen in alle toonaarden in de geschriften van Boeddha èn Advaita terug gevonden worden.

 

Ook de Tao Te Tjing 38 is duidelijk :

Hoge deugd is geen deugd, juist daarom deugd.......

is Tao verloren, dan komt er deugd.

Deugd verloren, dan komt er menslievendheid....”

 

Als deze twee zaken logisch benaderd worden dan moet de vraag gesteld worden of de liefde, waar door eenieder zo naar gezocht en verlangd wordt, wel zou kunnen bestaan. Zelfs indien wij liefde hoger achten dan een deugd – bijvoorbeeld mededogen of naastenliefde in diens meest altruïstische vorm – blijft nog de stelling dat het een begrip is en niet de werkelijkheid, alsook het feit dat liefde die dan hoger gesteld is als een hoge deugd dan zeker niet benoemd kan worden.

Want als er besef is van deugd is het een deugd met de wortel van het ego in zich; echte deugd heeft geen spoor van een besef in zich en is aan het ervaren, kennen, van Tao of het Zelf gelijk. Tao of het Zelf zijn onnoembaar.

Dus als er besef van liefde is, is Tao, het Zelf verloren, is het een relatieve liefde met in zich de wortel van ego en verlangen.

 

Sprekend over liefde bijgevolg over iets dat niet gekend kan worden, moet daarom tot onderwerp hebben dat geen liefde is, maar iets van lagere orde. Maar zelfs dan nog; kan iemand met de beste wil van de wereld zeggen wat een roos is? Wie is wijzer dan de Boeddha die zwijgend de roos omhoog hield bij wijze van duiding dat het iets onnoembaar is?

 

Is de liefde dan geheel en al onbestaande, benoembaar of onbenoembaar?

In de annotatie bij vers 18.36 van de Ashtavakra Samhita schijnt hierop een onvermoed licht :

18.35 In deze wereld kennen zij die zich toeleggen op verscheidene disciplines niet het Zelf, dat zuiver, intelligent, geliefd(1), volmaakt, voorbij het universum en vrij van enige smet is.

 

(1) Geliefd – Alleen het Zelf is object van onze liefde. Het is alleen ter wille van het Zelf dat onze liefde naar de wereldse objecten gericht wordt. [Zie ook 18.33 annotatie 2].

Brihadaranyaka Upanishad 4.5.6 : “Nooit heeft ooit een echtgenoot zijn echtgenote lief gehad ter wille van haar; het is ter wille van het Zelf dat de echtgenoot zijn echtgenote bemint.”

Dit heeft betrekking op alle objecten van de menselijke liefde.

 

Het is een liefde naar het al, uit een beseffen dat het al niet bestaat buiten het Zelf. In De Clown (7) en (10) werd dit door Suzanne treffend weergegeven; zij schreef :

 

.....zag ik in hoe ik in dit “eren zonder te eren” de meest essentiële essentie

van mijn zijn, mijn wezen eer”.

 

Het Zelf wordt verhoord door te verzinken in een

niets meer doen zonder iets ongedaan te laten.”

(Luk Heyligen : Nieuw seizoen; zie De tuin (3).

 

Eren zonder te eren, liefhebben zonder lief te hebben.

 

SYNTHESE (5.19) (G)EENHEID - liefde (1).pdf (55,8 kB)